Bolivia
(officieel: República de Bolivia) is een
presidentiële republiek in Zuid-Amerika. Het
land wordt volledig omsloten door andere
landen. Bolivia grenst in het noorden en het
oosten aan Brazilië (3400 km), aan Paraguay
(750 km) in het zuidoosten, aan Argentinië
(832 km) in het zuiden en aan Chili (861 km)
en Peru (900 km) in het westen. Vroeger was
Bolivia twee keer zo groot en grensde het
zelfs aan de Stille Oceaan (Pacific). In de
loop der tijd heeft het land veel gebied
verloren aan de buurlanden.
Bolivia is qua oppervlakte het vijfde land
van Zuid-Amerika en meet 1.098.581 km2. Het
is daarmee ongeveer net zo groot als Spanje
en Frankrijk samen en ongeveer 26x zo groot
als Nederland.
Bolivia ligt in het centrum van het
Andesgebergte dat van noord naar zuid over
het Zuid-Amerikaanse continent loopt. Het
Boliviaanse Andesgebergte bestaat uit twee
evenwijdig lopende bergketens. Daartussen
ligt een hoogvlakte (Altiplano) die op een
hoogte van ca. 4000 meter ligt. De
oostelijke bergketen heet de Cordillera
Oriental en daar komen toppen voor tot 6500
meter hoogte. De westelijke bergketen heet
Cordillera Occidental en kenmerkt zich door
veel vulkanische activiteit en droge
woestijnachtige gebieden. Langs de grens met
Chili liggen rijen vulkanen met de hoogste
berg/vulkaan van Bolivia, de Sajama (6700
meter). Het laagste punt van Bolivia ligt
bij de Rio Paraguay (90 meter boven
zeeniveau).
De hoogvlakte (Altiplano) grenst in het
noorden aan het Titicaca-meer en in het
zuidwesten aan een gebied met woestijnen en
zoutmeren. Het Titicaca-meer ligt 3810 meter
boven de zeespiegel, heeft een oppervlakte
van 8800 km2, is tot 400 meter diep en is
het hoogst bevaarbare meer ter wereld. Dwars
door het meer loopt de grens met Peru. De
Altiplano heeft in een zeer ver verleden
onder zeeniveau gelegen. Bewijzen daarvoor
zijn de vele fossiele schelpen, koralen en
zeedieren die gevonden zijn. In het oosten
liggen middelhoge bergmassieven met diepe,
door rivieren uitgeslepen dalen (yungas).
Ten zuiden hiervan gaat dat gebied over in
een valleiengebied (valles) die nog altijd
op 2000 à 3000 meter hoogte liggen. Het
noordelijke gedeelte van de laagvlakte
behoort tot het stroomgebied van de Amazone.
Hier vinden we regenwoud (Oriente) dat naar
het zuiden overgaat in een savanne-achtig
landschap met grasvlaktes (pampas). In het
zuidwesten liggen uitgestrekte
salpeterwoestijnen en zoutmoerassen.
De Andesmassieven verdelen Bolivia in klimaatzones en zijn voor
het klimaat dé bepalende factor. In het
noordelijk gelegen Amazonegebied is het
klimaat tropisch en vochtig, in het
zuidoosten is het droog en heet, in de
valleien is het vrij koel en in het hoogland
is het koud. Het regenseizoen valt in de
zomer, van december tot april. De winter die
van mei tot augustus duurt, is het droge
seizoen.
Een andere manier om het klimaat globaal in te delen is de hoogte
waarop dorpen en steden gelegen zijn. Boven
de 4000 meter is het meestal koud (tierra
fría), ’s nachts zelfs tot –20°C. Tussen de
2000 en 4000 meter is het gematigd warm tot
koud. Tussen de 1500 en 2500 meter is het
vaak aangenaam subtropisch weer (tierra
templada). Beneden de 1000 meter is het over
het algemeen tropisch warm (tierra caliente).Op
de oostelijke bergketen, de Cordillera
Oriental, valt de meeste sneeuw en
behoorlijk veel regen op de wat lagere
delen. Op de westelijke bergketen, de
Cordillera Occidental, valt zeer weinig
neerslag. Door de constante temperatuur
(9°C) van het Titicaca-meer heerst er rond
dit meer een mild klimaat. In het zuiden en
de zuidwesthoek van het land wordt het
steeds kouder en kan het ’s winters streng
vriezen. In het hoge Andesgebergte is de
winter, die van mei tot september duurt,
zonnig en droog. Op 4000 meter hoogte is het
10-15°C, maar voelt het door de felle zon
warmer aan. ’s Nachts daalt de temperatuur
tot onder het vriespunt. De gemiddelde
zomertemperatuur ligt vaak maar enkele
graden hoger dan in de winter doordat het ’s
zomers vaak regent en bewolkt is. La Paz
ligt bijvoorbeeld op 3658 meter hoogte; in
januari is het gemiddeld 10°C en in juli
7°C; er valt gemiddeld 572 mm neerslag per
jaar. In de dalen tussen de in het oosten
liggende middelhoge berggebied is het zeer
regenachtig en subtropisch warm. Dit gebied
gaat over in valleien (valles) met minder
regen, en dan alleen nog in de regentijd van
december tot april. In de laagste dalen van
het Andesgebergte is het tropisch warm. In
de laaglanden heerst een tropisch, vochtig
klimaat. Het vriest hier nooit, maar het kan
wel ineens sterk afkoelen als de Surazo
waait, een koele zuidenwind. Ook hier valt
de meeste regen in de zomer en dat kan zelfs
tot grote overstromingen leiden doordat de
rivieren de grote hoeveelheden water niet
kunnen verwerken. Concepción ligt op 490
meter hoogte; in januari is het gemiddeld
24°C en in juli 20°C; er valt gemiddeld 1141
mm neerslag per jaar. Doordat Bolivia op het
zuidelijk halfrond ligt, is het bij ons
zomer als het daar winter is en omgekeerd.
De Amazonevlakte in het noordwesten bestaat uit tropisch regenwoud, evenals het
moerassige gebied in het zuidoosten. In het
zuiden ligt tussen de puna- páramo-
vegetatie en het llanogebied een streek met
Sierra-vegetatie dat wil zeggen
doornstruiken en cactussen en in hogere
delen altijdgroen bos. Het Andesgebied bezit
een puna-vegetatie. Het llano-gebied bezit
een savannevegetatie, de hoogvlakte heeft
gedeeltelijk een páramo-vegetatie en
gedeeltelijk een puna- vegetatie. In de
jungle groeien nog steeds de steeds
zeldzamer wordende mahoniebomen. Verder
cacao- en rubberbomen, de bibosí en veel
palmensoorten. In ondiepe meren komt de
schitterende Victoria Regia voor. Op de
Altiplano groeit niet zoveel door de kou en
de geringe neerslag: lage struiken,
cactussen, vetplanten, mossen en gele
graspollen. Opvallend is de yareta, die
boven de 4000 meter groeit en honderden
jaren oud kan worden. De keñua is een
boomsoort die zich zelfs tot 5200 meter
hoogte staande kan houden.
De Yungas (oostelijke
berghellingen) zijn voor een groot gedeelte
bedekt met nevelwouden en verder varens,
bergbamboe en uiteindelijk subtropisch bos
met orchideeën, bromelia’s en palmen. Onder
de reusachtige bomen van het tropisch
regenwoud groeien veel kleine bomen en
lianen en op de bodem o.a. varens, begonia’s
en paradijsbloemen of heliconia’s. De meest
bijzondere plant van Bolivia is de Puya
Raimundi, de grootste vetplant van de wereld
met een bloemstengel tot 12 meter lengte.
Voordat deze plant bloeit gaan er honderd
jaar voorbij. Van de gecultiveerde planten
is de aardappel de bekendste. In de Andes
komen meer dan 200 soorten voor. Een andere
plant die belangrijk is voor de
voedselvoorziening is de yuca, die in de
laaglanden wordt verbouwd. Ook maïs en
quinoa worden voor de voedselvoorziening
geteeld.
De bekendste groep dieren van het Andesgebergte zijn de
kameelachtigen: de guanaco, de vicuña, de
alpaca en de lama. De guanaco en de vicuña
leven in het wild, de lama en de alpaca zijn
tot huisdieren gemaakt. Zij worden gebruikt
als lastdier en voor het vlees en de wol. De
vicuña is een beschermd dier en er leven in
Bolivia nog ongeveer 2000 exemplaren. Andere
bijzondere dieren in het Andesgebergte zijn
de viscacha, een grote chinchillasoort met
een opvallend lange staart, de zeldzame
brilbeer of Andesbeer en de condor, een
roofvogel met een spanwijdte van drie meter
die een grote rol speelt in de Boliviaanse
mythologie. Verder nog de rhea, een
nandoesoort (struisvogelsoort), en de zeer
zeldzame James-flamingo. Veel voorkomende
watervogels zijn Andesganzen, ibissen,
kluten, futen en meerkoeten. Kolibries en
papegaaien komen zelfs boven de 4000 meter
nog voor en op grote hoogte leven ook nog
bergtoekans. Zoogdieren in het Andesgebergte
zijn o.a. de bergocelot en de poema, de
wilde marmot en de armadillo, een
gordeldier. De tropische laagvlakte herbergt
zeer veel dieren waaronder bekende dieren
als de panter, de jaguar, de tapir, de
javelí of navelzwijn en de anaconda, een
reusachtige wurgslang. Apensoorten die
voorkomen zijn brulapen, slingerapen en
doodshoofdaapjes. Kleinere zoogdieren zijn
neusberen, agouti’s (knaagdier),
miereneters, otters en luiaards. In de
pampagebieden leven in de rivieren o.a.
waterschildpadden, roze zoetwaterdolfijnen
en alligators. De capibara is het grootste
knaagdier ter wereld. De grote jabira is een
ooievaarachtige en is door zijn kleuren een
opvallende verschijning. Verder komen in
tropisch Bolivia nog hoatzins, sterns,
aalscholvers, slangehalsvogels en
verschillende soorten ijsvogels voor. Van de
vlindersoorten is de grote blauwe morpho de
opvallendste, naast prachtige passiebloem-
en pagevlinders. In het Titicaca- meer komen
zalm, forel en koningsvis of pejerrey voor.
De avifauna behoort tot de rijkste ter
wereld. Er komen ca. 1200 soorten vogels
voor; een merkwaardige kortvleugelige fuut
komt alleen maar voor in de buurt van de
bergmeren Titicaca en Poopó. Door de
tropische harthoutindustrie en het kappen en
platbranden voor de landbouw verdwijnen er
jaarlijks vele duizenden hectares bos. Maar
een klein percentage wordt tot nu toe
herbebost. De erosie en de uiteindelijke
woestijnvorming vormt een grote bedreiging
voor de planten- en dierenwereld.
De laatste jaren wordt hier door de regering
wel meer aandacht aan besteed. De nationale
parken zijn moeilijk te bereiken, maar
zouden wel een bron van inkomsten kunnen
worden i.v.m. het toerisme.
Aangenomen wordt dat de oorspronkelijke
bewoners van het Amerikaanse continent, de
indianen, tienduizenden jaren geleden vanuit
Azië overstaken naar Amerika. Nog eens
duizenden jaren later was het hele
Amerikaanse continent bewoond. Ook neemt men
aan dat er ook nog andere volken naar
Amerika kwamen. Opvallend in dat verband
zijn de overeenkomsten tussen de Andestalen
Aymará en Quechua en het Polynesisch. Ook
uiterlijk zijn er duidelijke overeenkomsten.
Menselijke bewoning in de Andes dateert al
minstens van 13.000 voor Chr., o.a. de
Vizcachani-cultuur. Deze nomadisch levende
stammen gingen pas vanaf 6000 voor Chr. over
op landbouw en veeteelt. Van de levenswijze
van deze oude culturen is verder weinig
bekend. Deze hele periode tot ongeveer 3000
voor Chr. wordt ook wel de prekeramische
periode genoemd. De keramische periode
duurde van 3000 voor Chr. tot ongeveer 1500
na Chr. Van deze periode is veel meer bekend
geworden door met symbolen en decoraties
beschilderde potten, vazen maar ook mooie
weefkunst vertelt veel over de geschiedenis
van de verschillende culturen. De
belangrijkste cultuur in Bolivia uit die
tijd is de Tiwanaku- cultuur geweest. Deze
cultuur kenmerkte zich door de voor die tijd
al zeer gespecialiseerde landbouwmethodes
die overvloedig voedsel opleverden. Dit is
waarschijnlijk ook een van de redenen dat
deze machtige cultuur zolang toonaangevend
bleef in deze regio. De plotselinge
verdwijning van deze cultuur in het begin
van de 12e eeuw is tot op de dag van vandaag
een raadsel, maar had waarschijnlijk te
maken met klimatologische omstandigheden. Er
bestonden nog enkele andere, kleinere
culturen in het toenmalige Bolivia waaronder
de Beni in de tropische laagvlakte, de Kolla
cultuur rond het Titicaca-meer, de Wankarani
en Chiripa. De Wankarani hebben vierkante
graftorens nagelaten en de Kolla gigantische
ronde graftorens.
Het Inca-rijk
Vanuit de hoofdstad Cusco in Peru kwam
Bolivia onder het gezag van de Inca’s
(1200-1500 na Chr.). De taal van de Inca’s,
het Quechua, moest door elke onderdaan
gesproken worden en is nu nog steeds één van
de officiële talen van Bolivia. Het
Inca-rijk was verdeeld in vier gebieden
waarvan Collasuyo een groot deel van Peru,
geheel Chili, een stukje Noord-Argentinië en
het huidige Bolivia omvatte. De Inca’s
legden wegen aan en bouwden aquaducten,
terrassen, forten en tempels. Ook ontstonden
er grote steden in de vlaktes. Uiteindelijk
waren 43 verschillende volken
Inca-onderdanen geworden. De Inca-bezetting
van Bolivia zou uiteindelijk maar 70 à 80
jaar duren. Rond 1520 brokkelde het Inca-
rijk langzaam af door o.a. interne
conflicten.
Spaanse veroveraars (conquistadores)
In 1532 kwam een expeditie onder leiding van de Spanjaard
Francisco Pizarro (vermoord in 1538) aan de
noordkust van Peru aan wal. De laatste
Inca-vorst Atahualpa werd gedood en
betrekkelijk snel werden grote delen van het
Zuid- Amerikaanse continent veroverd.
Bolivia heette toen nog Alto-Perú (Opper-Peru)
en werd bij het onderkoningschap Peru
gevoegd. Op en rond de hoogvlakte weren
steden gesticht en nog later werd ook het
tropisch laagland gekoloniseerd. Na de
ontdekking van zilvervoorraden werd in 1545
de stad Potosí gesticht die al snel
uitgroeide tot de grootste en rijkste stad
van de Nieuwe Wereld (Noord- en
Zuid-Amerika) met 200.000 inwoners. Het werd
door de Spanjaarden “La ville imperia”, de
keizerlijke stad genoemd.
Het encomienda-systeem werd door de
Spanjaarden toegepast. Dit betekende dat de
conquistadores land dat veroverd werd zoveel
als ze konden, mochten exploiteren. De
opbrengsten werden gedeeld tussen de
conquistadores en de Spaanse Kroon. Een
andere voorwaarde was dat de indiaanse
bevolking tot het christendom bekeerd moest
worden. De indianen werden o.a. in de mijnen
tewerkgesteld en moesten onder afschuwelijke
omstandigheden hun werk doen. Tegen het
einde van de zestiende eeuw liep de
indiaanse bevolking al schrikbarend terug;
miljoenen indianen vonden de dood door de
dwangarbeid. Door de werkomstandigheden in
de mijnen maar ook door het uitbreken van
door de Europeanen meegebrachte
besmettelijke ziektes, was de indiaanse
bevolking rond 1650 bijna gehalveerd tot een
half miljoen personen. Door het tekort aan
arbeidskrachten werd er al snel op grote
schaal slaven uit Afrika geïmporteerd.
Monniken van de Jezuïetenorde, en later de
Franciscanen, hielden zich de eerste 200
jaar bezig met het bekeren van de indianen
tot het christendom. In de loop der eeuwen
vermengde zich het rooms-katholieke geloof
met de traditionele rituelen en gebruiken.
In 1548 werd La Paz gesticht en nog wat
later steden als Cochabamba en Oruro. Na
vijandige acties van indianen in het oosten
en noordoosten werd er voor het eerst door
de Spanjaarden rond 1560 enige vorm van
zelfbestuur toegestaan. De 18e eeuw werd
gekenmerkt door een toenemend verzet van de
indianen tegen de Spaanse overheersing. Zo
leidde in 1780 Tupac Amaru een opstand van
de Quechua en de Amayá tegen de koloniale
regering. Ze werden echter verslagen en hun
leiders werden vermoord. Tupac Katani
belegerde La Paz later zelfs twee keer, maar
ook hij werd uiteindelijk gedood. Toch zou
het niet lang meer duren voordat Bolivia
onafhankelijk werd.
Bolivia onafhankelijk
De macht van de Spanjaarden in Europa en dus
ook in Zuid-Amerika brokkelde af doordat
Napoleon Spanje binnenviel. Onder de
criollo’s, de blanke Zuid- Amerikanen
ontstonden al snel verschillende groepen van
personen die zich voor de onafhankelijkheid
uitspraken o.a. doordat de Spanjaarden de
belangen van het moederland steeds voorop
stelden. De belangrijkste was Símon Bolívar
(1783- 1830) die samen met zijn maarschalken
José de Sucre en José San Martín vanaf 1810
met zijn militaire leger bijna alle Spaanse
kolonies bevrijdde. In april 1825 versloeg
Sucre de Spanjaarden in Opper-Peru bij de
slag van Tumusla en op 6 augustus 1825 werd
de onafhankelijkheid van de “República de
Bolívar” uitgeroepen, de naam uiteraard als
eerbetoon aan de vrijheidsstrijder Bolívar.
Later zou de naam Bolívar in Bolivia
veranderen.
Bolívar en Sucre waren de eerste twee
presidenten van Bolivia. Vele presidenten en
regeringen zouden hen opvolgen in dit
politiek onrustige land. Tussen 1825 en 1994
vonden er 194 regeringswisselingen plaats;
meer dan de helft daarvan waren militaire
regeringen (dictaturen) terwijl ook de
rooms-katholieke kerk een grote rol speelde
in de binnenlandse politieke
aangelegenheden. Ook heeft Bolivia sinds
1825 16 verschillende grondwetten gekend. De
mijnen en de gemeenschappelijke
landbouwbedrijven kwamen in handen van de
blanken waardoor de indiaanse boeren en
mijnwerkers als slaven behandeld werden.
Bolivia verliest veel grondgebied aan
buurlanden
Opmerkelijk in de geschiedenis van Bolivia
is het verlies van veel grondgebied aan de
buurlanden. Sinds de onafhankelijkheid in
1825 is de oppervlakte van Bolivia ongeveer
gehalveerd. Zo had Bolivia samen met Peru
tot 1884 een groot stuk grondgebied in het
noorden van het huidige Chili. Belangrijk
voor Bolivia dat het stuk land grensde aan
de Stille Oceaan. Beide landen raakten van
1879 tot 1884 in oorlog met Chili en
verloren uiteindelijk het gebied aan de
Chilenen. Deze oorlog wordt de
“salpeteroorlog” genoemd omdat er ook
gestreden werd om de rechten op het winnen
van zout en koper in het kustgebied. Vanaf
die tijd heeft Bolivia geen open verbinding
meer met de oceaan. Bolivia mocht nog wel
een spoorlijn aanleggen die van La Paz naar
de havenplaats Arica liep, waar Bolivia
tegen betaling gebruik van kon maken.
Brazilië annexeerde rond de eeuwwisseling in
het noorden van Bolivia de rubberstreken van
Acre. Ook hier kreeg Bolivia als
genoegdoening het recht om een spoorlijn aan
te leggen, van Riberalta in Bolivia naar Rio
Madeira. Onder het bewind van de presidenten
Pando (1899-1904), Montes (1904- 1909 en
1913- 1917) en Villazon (1909-1913) beleefde
het land een economische opbloei, doordat de
grondstoffen rubber en tin gedurende de
Eerste Wereldoorlog op de wereldmarkten hoge
prijzen noteerden. In 1917 verbrak Bolivia
de betrekkingen met Duitsland, maar het nam
niet actief deel aan de oorlog.Tussen 1928
en 1935 woedden de Chaco-oorlogen tussen
Bolivia en Paraguay. Men vermoedde olie in
het noorden van Paraguay (Gran Chaco). De
oliemaatschappijen Standard Oil Company(Bolivia)
en Shell (Paraguay) speelde een grote rol in
deze oorlog om concessies. Tienduizenden
Bolivianen werden gedood, en het navrante
was dat er nooit aardolie in de Gran Chaco
gevonden is. De armoede onder de bevolking
nam na dit echec toe en er werden nieuwe
politieke partijen en vakbonden opgericht.
De petroleumindustrie was in die tijd bijna
geheel in handen van de Standard Oil Company
en de tinmijnen in handen van drie families
(Hochschild, Patiño en Aramays). Tot grote
economische ontwikkeling of sociale
vooruitgang leidde dit echter niet. Eind
jaren twintig moest jaarlijks meer dan de
helft van het nationale inkomen worden
besteed aan het terugbetalen van schulden.
Dit leidde in 1936 tot een revolutie.
Burgeroorlogen, conflicten, stakingen,
opstanden
President Toro probeerde een
staatssocialisme in te voeren, maar hij
stuitte op verzet van de in Bolivia
aanwezige buitenlandse bedrijven. Een van
zijn opvolgers, generaal Peñaranda werd in
1943 door nationalistische groeperingen ten
val gebracht. Tijdens een opstand in juli
1946 werd de opvolger van Peñaranda,
Villaroel, door een woedende volksmenigte
vermoord. In januari 1947 werd de rechtse
socialist Hertzog tot president gekozen.
Zijn partij bezat in het parlement geen
meerderheid en voortdurend probeerde de
Nationalistische Revolutionaire Beweging de
macht in handen te krijgen. Deze twisten
ontaardden in 1949 in een burgeroorlog, maar
door de steun van het leger wist Hertzog
zich te handhaven.
De opstand werd onderdrukt, maar door de
felle kritiek op zijn beleid was Hertzog
gedwongen af te treden.
Tijdens de revolutie van 1952 versloeg de nationale garde samen
met de mijnwerkers het leger. De macht kwam
in handen van Victor Paz Estenssoro. Het
leger nam de macht echter in handen voordat
hij zijn functie kon aanvaarden. Na een
volksopstand van enkele dagen versloegen in
april 1952 de volksmilities onder leiding
van Hernán Siles Zuazo het leger. Estenssoro
werd geïnstalleerd als president en voerde
belangrijke sociaal-politieke hervormingen
door en maakte een einde aan de macht van
enkele machtige families door grote
tinmijnen te nationaliseren. In 1952 werd
ook het algemene stemrecht ingevoerd en het
feodale systeem van grootgrondbezit werd
afgeschaft.
Alle boeren kregen wat land, maar deze
versnippering leidde tot nog grotere armoede
onder de boeren en een grotere trek naar de
steden.
Bij de verkiezingen van 1956 behaalde de MNR
een overweldigende meerderheid van stemmen;
Siles Suazo werd president. Opstanden en
stakingen waren gedurende zijn bewind aan de
orde van de dag en vrijwel constant
verkeerde het land in een noodtoestand. De
verkiezingen van 1960 brachten Paz
Estenssoro weer aan de macht. In 1963 raakte
president Estenssoro in conflict met de
vice-president, Lechín, die ook leider was
van de mijnwerkersvakbond. Dit bracht hem
het ongenoegen van de mijnwerkers op de
hals. Ondanks de vele kritiek op zijn beleid
werd Paz Estenssoro in mei 1964 herkozen als
president, maar na een opstand van het leger
werd de macht in handen genomen door de
vice-president, generaal R. Barrientos
Ortuño. Tijdens zijn regeringsperiode werd
de bekende vrijheidsstrijder Ernesto Che
Guevarra gevangengenomen en vermoord omdat
men dacht dat hij een boerenopstand aan het
voorbereiden was. Barrientos stierf in 1969
en werd opgevolgd door de opperbevelhebber
van de strijdkrachten, Ovando.
Bolivia onder het juk van dictators
In 1971 volgde alweer een staatsgreep waarna
generaal Hugo Banzer aan de macht bleef tot
1978.
Tijdens zijn regime werden universiteiten gesloten, vakbonden en
politieke partijen verboden en tienduizenden
mensen zonder vorm van proces opgepakt. Van
kerkelijke zijde werd geprotesteerd tegen
het veelvuldig schenden van de mensenrechten
in Bolivia. Het politieke verzet tegen
Banzer kwam zowel van links als van rechts.
In juni 1974 gingen linkse officieren tot
opstand over, waarop Banzer o.m.
parlementsverkiezingen toezegde, die hij
zelfs wettelijk liet vastleggen. Inmiddels
was het duidelijk geworden dat Banzer geheel
afhankelijk was geworden van de rechtse
officieren: onder hun druk stelde hij ook de
plannen voor verkiezingen voor een vijftal
jaren uit. Na Banzer volgden een hele serie
dictators (caudillos) met als dieptepunt
generaal García Meza, wiens bewind
gekenmerkt werd door martelingen, moorden,
connecties met de drugshandel en
uiteindelijk een praktisch failliet Bolivia.
De democratie keert terug
In 1982 werd de macht door de militairen aan
een burgerregering onder leiding van Hernán
Siles Zuazo overgedragen. Bolivia was op dat
moment volledig failliet en de periode Zuazo
werd dan ook gekenmerkt door een gigantisch
geldontwaarding, veel sociale onrust,
stakingen, hoge werkloosheid en een steeds
groter wordende buitenlandse schuld. In 1984
bedroeg de inflatie gemiddeld 3% per uur!!
Bolivia was op dat moment al een belangrijke
cocaïneproducent maar in deze moeilijke
tijden werd de lucratieve handel (in harde
dollars) steeds belangrijker voor de
economie van het land.
Vanaf 1982 probeerden de Amerikanen in ruil
voor economische hulp de cocaïnehandel in
Bolivia onder controle te krijgen.
Estenssoro won in 1985 opnieuw de
verkiezingen en nam een aantal rigoureuze
maatregelen om de economie weer wat op te
krikken. Zo werden overheidsuitgaven
gedecentraliseerd en zwaar verliesgevende
staatsondernemingen gesloten of
geprivatiseerd. Het gevolg was wel dat er
vele mijnen gesloten werden en er
tienduizenden mijnwerkers zonder werk kwamen
te zitten. Ook de onverwachte ineenstorting
van de wereldtinmarkt in 1985 kostte veel
werknemers hun baan. Op dat moment leefde
90% van de bevolking onder de armoedegrens.
In 1989 werd vice- president Jaime Paz
Zamora tot president gekozen. Hij regeerde
samen in een coalitie met de ex-dictator
Hugo Banzer, die vreemd genoeg tijdens zijn
vorige bewind verantwoordelijk was voor een
aanslag op linkse politici, waarbij Zamora
ternauwernood aan de dood ontsnapte. In juli
1993 kreeg Bolivia van Peru tot het jaar
2091 via een concessie een smalle toegang
tot de Grote Oceaan. In 1993 kwam de
populaire Gonzalo Sánchez de Lozado aan de
macht en hij ging een coalitie aan met Hugo
Cardenas, een Aymará- indiaan van de
indiaanse partij MRTKL, waardoor een
gedeelte van de indiaanse bevolking
rechtstreeks in het parlement was
vertegenwoordigd. Zij voerden een economisch
hervormingsprogramma, o.a. een zeer
ambitieus privatiseringsprogramma, met
daaraan verbonden vele sociale maatregelen
(Plan de Todos), decentralisatie,
onderwijshervormingen en
grondwetswijzigingen. Ook zette men een
programma op ter verbetering van de positie
van de indiaanse bevolking, o.a. door
tweetalig onderwijs toe te staan. Het lukte
hem echter niet om nog een tweede termijn
aan de regering te komen.
Op 6 augustus 1997 werd ex-dictator Hugo
Banzer beëdigd als president. Hij trok
vooral veel kiezers die hoopten dat met hem
de economische groei uit de jaren ’70 weer
zou terugkeren. Tegenstanders van Banzer
waren mensenrechtenactivisten die vonden dat
hij voor zijn verleden moest boeten. Zij
waren ook bang dat het militarisme weer zou
terugkomen. Een van zijn eerst daden leek
dat te bevestigen: het vernietigen van
cocavelden met behulp van het leger. Een van
zijn beloftes in de verkiezingsstrijd was
namelijk dat alle illegale cocavelden in
vijf jaar tijd vernietigd zouden worden. In
1998 werd er meer dan 11.000 ha vernietigd.
Verder profiteerde hij vooral van het
hervormingsprogramma van zijn voorganger
Sánchez de Lozado.
In april 2000 waren er gewelddadige
protesten tegen de voorgenomen privatisering
van de drinkwatervoorziening waardoor de
prijs van water met 35% steeg. De situatie
liep zodanig uit de hand dat de regering de
noodtoestand liet uitroepen. Op 27 juli 2001
trad president Banzer vanwege
gezondheidsproblemen af. Hij werd opgevolgd
door vice-president Quiroga. Na weken van
sociale onrust, die 60-80 mensen het leven
zou hebben gekost, trad president Sánchez de
Lozada in oktober 2003 af. Als nieuwe
president werd vice-president Carlos Mesa
benoemd. Sánchez de Lozada week uit naar de
Verenigde Staten, die hem altijd
nadrukkelijk gesteund hadden.
Begin juni 2005 kondigde president Mesa
verkiezingen aan voor een constitutionele
raad die de grondwet moest herzien. Ook zou
er een referendum komen over meer autonomie
voor de olierijke provincias in het oosten
en zuiden van het land. Mesa hoopte zo een
einde te maken aan de gewelddadige
protesten, de wegblokkades en een
48-uursstaking die het transport in het hele
land lamlegde. De betogers eisten
nationalisering van de olie- en gaswinning.
Vooral de arme westelijke provincies, waar
veel arme indianen wonen, wilden een groter
deel van de opbrengsten.
De presidentsverkiezingen van december 2005
werden gewonnen door de linkse 'indígena'
(inheemse indiaan) Evo Morales Ayma. Hij won
met ruim 51% van de stemmen en werd de
eerste indiaanse president van Bolivia. De
oude politieke orde werd bij deze
verkiezingen door de kiezers weggevaagd. er
volgt een periode van nationationalisatie
van onder meer de gasindustrie. In mei 2008
stemt morales toe in een referwendum over
zijn leiderschap in augustus, indien hij het
refendum verliest volgen nieuwe
verkiezingen.
Economie en Toerisme
Algemeen
Bolivia heeft een gebrekkige infrastructuur,
geen uitgang naar zee, een onevenwichtige
sociale structuur, slecht opgeleid personeel
en zowel binnenlands als vanuit het
buitenland wordt er weinig in het land
geïnvesteerd en dit zijn natuurlijk allemaal
belemmeringen voor de economische
ontwikkeling. Gemeten naar het zeer lage
bruto nationaal product (bnp) per hoofd van
de bevolking ($ 800 in 1997) is Bolivia een
van de armste landen van Latijns- Amerika.
De buitenlandse schuld bedroeg in 1999 $5,7
miljard. Tachtig procent van de bevolking
leeft onder de armoedegrens en de
boerenbevolking op het platteland zelfs 97%.
Tot het begin van de jaren tachtig kende
Bolivia een periode van langzame economische
groei. Dit leidde tot een hyperinflatie
(geldontwaarding) van meer dan 11.000% in
1985!!.
Een streng bezuinigings- en
saneringsprogramma leidde vanaf 1986 tot een
geringere inflatie van 7% in 1997, maar ook
tot een daling van het levenspeil voor een
groot deel van de bevolking. Tussen 1981 en
1988 daalde het bnp per hoofd van de
bevolking met 26,3%. Verder zijn er ook nog
de illegale inkomsten uit cocaïne, die niet
te verwaarlozen zijn, integendeel. Men schat
deze inkomsten op ca. $600 miljoen per jaar
en andere lucratieve smokkelactiviteiten
worden geschat op 15% van het bnp. Door het
verloren gaan van veel arbeidsplaatsen in de
diverse economische sectoren is de
werkgelegenheid in de informele sector enorm
toegenomen. Een groeiend gedeelte van de
bevolking verdient geld met straathandel,
schoenen poetsen, loten verkopen, geld
wisselen en taxi-rijden met de eigen auto.
De belangrijkste sectoren zijn de handels-,
transport- en dienstensector. De landbouw
blijft hier ver bij achter. Officieel is
meer dan 20% van de beroepsbevolking
werkloos, maar in feite zal dit cijfer veel
hoger uitvallen door de verborgen
werkloosheid, vooral op het platteland. Men
hoopt dat de economische groei aantrekt door
o.a. een nieuwe pijplijn voor de export van
gas naar Brazilië. Verder worden er nog
steeds nieuwe aardgasvelden ontdekt. In
september 1998 keurden de Wereldbank en het
IMF een pakket van schuldkwijtschelding goed
ter hoogte van $760 miljoen. Bolivia is
daarmee het tweede land dat kon profiteren
van een speciaal programma voor lage-
inkomenslanden met hoge schulden. Bolivia is
sterk afhankelijk van ontwikkelingshulp. In
1997 ontving Bolivia $588 miljoen aan
ontwikkelingsgelden.
Landbouw, bosbouw en visserij
Ongeveer 20% van het landoppervlak is in
beginsel geschikt voor akkerbouw, maar
hiervan is slechts 3% in gebruik. In de
oostelijke laagvlaktes, met name rond Santa
Cruz, vinden we grootschalige, industriële
landbouwprojecten bedoeld om de export te
bevorderen. Daar worden een half miljoen
hectares met sojabonen, tarwe, gerst, maïs,
zonnebloemen, rijst, suikerriet en katoen
verbouwd. De klimatologische omstandigheden
zijn daar zo goed dat er twee keer geoogst
kan worden. Het lukt echter nog niet om dit
goed van de grond te krijgen.
In de berggebieden en op de hoogvlakte wordt
veel voor eigen gebruik geproduceerd. Wat
overblijft wordt verhandeld of geruild.
Belangrijke agrarische gebieden zijn: de
Altiplano, (aardappelen, quinoa, gerst en
bonen), de Yungas, de noordoostelijke
helling van de Cordilleras (tarwe, maïs,
bananen, groenten, citrusvruchten, koffie,
cacao en coca), de oostelijke Llanos
(suikerriet, katoen en rijst) en het
tropisch regenwoud (houtsoorten, rubber en
kinabast).
Vanaf de jaren zeventig is de van oudsher
door indianen verbouwde coca het
belangrijkste landbouwgewas geworden. Om in
de traditionele behoefte te voorzien is de
teelt van coca toegestaan door de regering.
De productie van coca overstijgt echter de
binnenlandse vraag vele malen. Het overschot
wordt gebruikt om cocaïne te maken. In 1984
werd naar schatting 75% van de cultuurgrond
gebruikt voor de verbouw van cocaplanten.
Ca. 300.000 mensen vinden een bestaan door
het verbouwen van coca. De illegale handel
levert ongeveer de helft op van totale
export. Toch kijkt men naar andere manieren
om de coca te verbouwen, b.v. als medicinaal
product.
Ook probeert men de cocaplantages te
vervangen door lucratieve fruitplantages.
Sinds 1987 krijgt Bolivia van de Verenigde
Staten financiële steun om het areaal coca
te verminderen. Boeren die hieraan meewerken
worden financieel gecompenseerd.De landbouw
staat over het algemeen technologisch op een
laag peil en de sterke versnippering van het
grondbezit, vooral op de Altiplano en in de
dalen, vormt nog steeds een groot probleem.
Bovendien staan de veelal gebrekkige
transportmogelijkheden, de bodemerosie en de
extreme weersomstandigheden een verdere
ontwikkeling van de landbouw in de weg. Toch
werkt in de landbouw ca. 45% van de
beroepsbevolking.Veehouderij wordt steeds
belangrijker, vooral de zuivelproductie in
de buurt van Cochabamba; verder worden als
lastdieren en voor de wol schapen, vicuña's
en andere kameelachtigen gehouden op de
Altiplano. Runderen en varkens worden vooral
gehouden in de Llanos. Het departement Beni
spant met zo’n 1,3 miljoen stuks vee de
kroon. Het grootste deel van de
vleesproductie is bestemd voor de
binnenlandse markt, en dan vooral voor de
grote steden. In 1996 bestond de veestapel
uit ca. 6 miljoen runderen, 300.000 paarden,
700.000 ezels en muilezels, 2,5 miljoen
varkens, 8 miljoen schapen, 1,5 miljoen
geiten en 59 miljoen kippen.
De bosbouw levert hardhout, rubber en kina.
Bossen beslaan ca. 45% van het totale
landoppervlak. De houtproductie bedroeg in
1997 ca. 2,3 miljoen m3. Visserij op het
Titicaca-meer en enkele andere meren en
rivieren levert een kleine bijdrage aan het
voedselpakket. In 1997 werd er in totaal
meer dan 6000 ton vis gevangen. Zeevis wordt
ingevoerd uit Peru en Chili.
Mijnbouw
Traditioneel vormde de mijnbouw de basis van
de Boliviaanse economie. Tot 1979 was
Bolivia na Maleisië de grootste tinproducent
ter wereld. Vanaf 1985 daalde de
wereldmarktprijs snel en viel de
tinproductie tot eenderde terug. De
verouderde Boliviaanse mijnen zijn door hun
lage productiviteit en het lage tingehalte
van het erts niet langer rendabel te
exploiteren. Ook de geïsoleerde ligging, het
gemis van een eigen haven en de
gecompliceerde winning van mineralen en
delfstoffen zorgde er o.a. voor dat de
winning van zilver en tin niet meer loonde.
Vanaf 1985 zijn veel tinmijnen gesloten of
geprivatiseerd. Privatiseren betekende in
dit geval dat een aantal mijnwerkers voor
eigen rekening ging werken en zo ontstonden
er duizenden kleine ondernemers die zich met
het winnen van tin, zilver en goud gingen
bezighouden. Meer dan de helft van de
tinproductie is afkomstig uit de mijnen ten
zuiden van Oruro; de mijn van Catavi bij
Llallagua is nog steeds de grootste tinmijn
ter wereld.
Andere belangrijke minerale delfstoffen zijn
lood, zink, koper, antimoon, goud, zilver,
wolfram en bismut.
De in 1952 opgerichte staatsmaatschappij
COMIBOL exploiteerde tot halverwege de jaren
tachtig naast de grootste tinmijnen de
meeste vindplaatsen van andere minerale
ertsen. De export van vaste delfstoffen
vormt nog steeds de belangrijkste bron van
buitenlandse deviezen. Hoewel de mijnbouw
nog steeds de ruggengraat van de Boliviaanse
economie vormt, werkt slechts 5% van de
beroepsbevolking is de mijnbouw.Voorts is er
winning van aardolie en aardgas. De
belangrijkste aardolievelden liggen in de
omgeving van Camiri en ten zuiden hiervan
tot aan de grens met Argentinië. De
staatsoliemaatschappij YPFB heeft alle
aardoliewinning onder haar beheer. De
belangrijkste winplaats van aardgas ligt bij
Yacuiba in het zuiden van Bolivia. De
winning van aardolie is de laatste jaren
sterk verminderd door uitputting van de
reserves. De productie is daarom nauwelijks
voldoende om aan het binnenlandse verbruik
te voldoen. De winning van aardgas is
succesvoller. De helft van de jaarlijkse
productie van ca. 5 miljard m3 wordt
uitgevoerd via pijpleidingen naar Argentinië
en Brazilië. In 1998 werden nieuwe grote
gasvelden ontdekt waardoor Bolivia nog ten
minste gedurende twintig jaar gas aan
Brazilië zal kunnen leveren. Begin jaren
negentig zorgde de export van gas voor veel
van de Boliviaanse exportinkomsten.
Industrie
De industrie is nog weinig ontwikkeld, het
is zelfs de minst ontwikkelde van
Zuid-Amerika; de meeste duurzame
consumptiegoederen moeten worden ingevoerd.
Door een gecoördineerd industriebeleid in
het kader van het Andespact en door nauwere
samenwerking met Brazilië probeert Bolivia
het nadeel van een kleine en weinig
koopkrachtige binnenlandse markt te
compenseren.
De belangrijkste industriële activiteiten
zij de drank- en voedselindustrie,
smelterijen, metaalindustrie en
aardolieraffinaderijen. De belangrijkste
industriële centra zijn La Paz, Oruro, Santa
Cruz en Cochabamba. De behoorlijk grote
energiereserves in de vorm van waterkracht
worden nog onvoldoende benut; in het midden
van de jaren negentig was het geïnstalleerde
vermogen van de elektriciteitscentrales
bijna 1000 megawatt. Tweederde van de
energie wordt geleverd door
waterkrachtcentrales. Grote delen van het
land hebben nog steeds geen aansluiting op
het lichtnet.
Handel
De export bestaat voornamelijk uit
grondstoffen en wat landbouwproducten. De
belangrijkste producten zijn aardgas (12%
van de totale exportwaarde), delfstoffen
(48%), hout (3,4%) en koffie (2,1%). De
(illegale) export van coca in 1995 werd
geschat op $600 miljoen, en dat is ongeveer
net zoveel als de totale legale export. De
belangrijkste afnemers zijn de Verenigde
Staten (vooral tin en andere metalen),
Argentinië (vooral aardgas),
Groot-Brittannië, Peru en Colombia. De
totale export bedroeg in 1999 $1,1 miljard.
De invoer bestaat vooral uit machines en
andere kapitaalgoederen, duurzame
consumptiegoederen, grondstoffen en
halffabrikaten. In 1999 werd er voor $1,6
miljard aan goederen geïmporteerd. De
belangrijkste importpartners zijn de
Verenigde Staten, Japan, Brazilië,
Argentinië, Chili en Peru. De import en
export van goederen gebeurt grotendeels via
de havens van Arica en Antofagasta in Chili,
Mollendo-Matarani in Peru en La Quiaca aan
de Boliviaans-Argentijnse grens.
Verkeer en toerisme
De gebrekkige transportmogelijkheden vormen
een belangrijk probleem bij de ontwikkeling
van Bolivia; in grote delen van het land is
het traditionele vervoer per muilezel of
lama vaak de enige mogelijkheid. Het
spoorwegnet - sinds 1964 door de staat
geëxploiteerd - bestaat uit twee gescheiden
netten, in totaal bijna 3800 km lang, die
verbinding geven met havens in Chili, Peru,
Argentinië en Brazilië. Het
“hoogland-systeem” is vooral belangrijk voor
het vervoer van ertsen naar de kust van de
Stille Oceaan; het “laagland-systeem” is
zeer belangrijk voor de ontsluiting van de
Oriente, de tropische gebieden. Om deze twee
netten met elkaar verbinden zou 480 km
nieuwe spoorwegen aangelegd moeten worden.
De kosten hiervan bedragen $1,5 miljard, wat
natuurlijk veel te veel is voor het arme
Bolivia. Door het verouderde spoorwegnet
zijn vertragingen van meer dan 24 uur geen
uitzondering.
Van het ruim 41.000 km lange wegennet is
maar een kwart onder alle
weersomstandigheden bruikbaar. De
belangrijkste wegverbindingen zijn de weg
van Cochabamba naar Santa Cruz en het maar
gedeeltelijk verharde deel van de
Panamerican Highway, die naar de grens met
Argentinië loopt. In het kader van de
ontsluiting van de tropische gebieden zijn
in de jaren zeventig veel ontsluitingswegen
aangelegd. Men hoopt in 2010 elf
internationale snelwegen gerealiseerd te
hebben. Er is verder een zeer uitgebreid net
van autobusdiensten.
Bolivia was een van de eerste landen in
Latijns-Amerika waar het vliegtuig een
belangrijk verkeersmiddel werd. De nationale
luchtvaartmaatschappij Lloyd Aéreo Boliviano
(LAB) verzorgt meer dan 40% van de
binnenlandse vluchten. Het overige deel van
de markt wordt bediend door een reeks van
kleine vliegtuigmaatschappijtjes. De
internationale luchthaven van La Paz (El
Alto) is de hoogstgelegen burgerluchthaven
ter wereld (4085 m). Ook Santa Cruz heeft
een internationale luchthaven.
Binnenscheepvaart op het Titicaca-meer is
van betekenis voor de verbinding met Peru.
Ongeveer 14.000 km bevaarbare rivieren
verbinden het noorden en het oosten van
Bolivia met de Amazone. De belangrijkste
rivieren zijn Madre de Dios, Beni, Mamoré,
Guaporé, Pilcomayo en Desaguadero. Zeehavens
mag Bolivia gebruiken in Argentinië en Peru.
Pijpleidingen zijn van groot belang voor het
vervoer van aardolie en aardgas.
Hoewel het aantal toeristen gestaag toeneemt
(in 1997 ca. 375.000) zijn de inkomsten
daaruit nog niet van groot belang voor de
Boliviaanse economie.
De totale inkomsten uit het toerisme
bedroegen dat jaar $180 miljoen.
Men hoopt het aantal toeristen en de
inkomsten uit het toerisme binnen enkele
jaren op zijn minst te verdubbelen.
Bevolking
Bolivia telde in 2000 ca. 8.150.000 inwoners. Gemiddeld wonen er
ca. 7,5 inwoners per km2. Driekwart van de
bevolking leeft in de steden en in de
valleien van het Andesgebergte. Ca. 56% van
de bevolking bestaat uit indianen, ca. 30%
uit mestiezen van indiaans/blanke afkomst,
ca. 10% van (meest Spaanse) blanke afkomst
en ca. 4% zijn negers en van Aziatische
afkomst. 60% woont in de steden, 20% meer
dan in 1976, dus de verstedelijking neemt in
snel tempo toe. De grootste steden zijn La
Paz (ca. 785.000 inwoners), Santa Cruz ( ca.
767.000), Cochabamba (ca. 449.000), El Alto
(ca. 446.000), Orura (ca. 202.000), de
hoofdstad Sucre (ca. 145.000) en Potosí (ca.
123.000). El Alto, een voorstad van La Paz,
is de snelst groeiende stad van Bolivia. De
samenstelling van de bevolking verschilt van
plaats tot plaats: in La Paz is de helft van
de bevolking indiaans en de bevolking van
Santa Cruz bestaat voor driekwart uit
mestiezen en Europeanen. De gemiddelde
levensverwachting in Bolivia is ca. 64 jaar.
41,2% van de bevolking is jonger dan 15
jaar; slechts 4,3% is 65 jaar of ouder.
Helaas heeft Bolivia de hoogste
zuigelingensterfte van Zuid-Amerika; per
1000 levend geboren kinderen stierven er in
2000 in het eerste levensjaar 63,7 kinderen.
De bevolkingsgroei bedroeg in 2000 1,83%. De
gemiddelde levensverwachting is 63,7 jaar.
De Quechua- en de Aymará- indianen zijn het
grootst in aantal. Er leven ca. 2,5 miljoen
Quechua en ca. 2 miljoen Aymará in Bolivia.
De Aymará leven rond het Titicaca-meer en
rond La Paz. De Quechua wonen met name in de
overige gedeelten van het Andesgebergte. In
de laaglanden leven veel kleinere
indianenstammen zoals de Baures en Moxo-
indianen. Een bekende stam zijn de Guaraní
die in het zuiden van Bolivia leven. Nog
maar ca. 30.000 indianen leven zoals ze
altijd geleefd hebben, de rest is al
beïnvloed door de westerse leefwijzen.
Nomadische groepen worden bedreigd door
houtkap, ziektes en kolonisatie van hun
leefgebied. In totaal leven er 32 indiaanse
volkeren in Bolivia. Tot de revolutie in
1952 was er nog een strenge rassenscheiding
in Bolivia in bepaalde openbare gelegenheden
en stadsdelen. De armoede is zowel op het
platteland als in de steden onder de
indianen het grootst, hoewel de steeds
groter wordende groep stedelijke indianen (cholos)
het aanzienlijk beter heeft dan de indianen
op het platteland. Mestiezen vormen vaak de
middenstand en de hogere functies worden
vaak door de blanken bekleed. De negers in
Bolivia stammen rechtstreeks af van de
slaven die eeuwen geleden uit Afrika gehaald
werden. Nazaten van gevluchte Japanse
immigranten na de Tweede Wereldoorlog leven
voornamelijk in het departement Santa Cruz.
Taal
De officiële taal is het Spaans maar het
Zuid-Amerikaanse Spaans dat in Bolivia
gesproken wordt is qua zinsconstructie en
uitspraak afwijkend van het Spaans in
Spanje.
Typisch voor het Boliviaans is het
veelvuldig gebruik van verkleinwoorden.
Verder zijn er per streek nog dialectische
verschillen. 45% van de bevolking spreekt
alleen Spaans. Bijna de helft van de
bevolking spreekt naast Spaans nog een van
de twee grote indianentalen: het Quechua of
het Aymará. Met name op het platteland wordt
door de oudere Bolivianen een van deze twee
talen gesproken. Een en ander is ook het
gevolg van het gebrekkige onderwijs. Het
Quechua was de taal van de vroegere
Inca-overheersers en wordt nog steeds in
alle Andeslanden gesproken, met name in
Bolivia en Peru. In alle landen hebben zich
echter verschillende dialecten ontwikkeld.
De invloed van het Spaans is groot, want
veel Quechua-woorden worden op z’n Spaans
uitgesproken. Het Aymará wordt met name rond
La Paz en het Titicaca-meer gesproken door
ca. 2 miljoen indianen.
De Aymará-indianen zijn afstammelingen van
de Tiwanaku-cultuur die in tegenstelling tot
de Quechua hun identiteit wisten te bewaren
tijdens de Inca-overheersing. Verder bestaan
er nog vele indianentalen, o.a. het Guarani
dat nog vrij veel gesproken wordt.
Het Engels is nog niet erg bekend en wordt
nog maar op weinig plaatsen gesproken.
Het Spaans en de indianentalen Aymará en
Quechua verschillen natuurlijk enorm.
Maar ook de tussen deze twee indianentalen
onderling komen grote verschillen voor.
Sinds het begin van de twintigste eeuw is er godsdienstvrijheid,
maar pas in 1961 werd de kerk officieel
gescheiden van de staat. Ongeveer 95% van de
bevolking is rooms-katholiek en ongeveer 1%
is protestant. De indianen vermengden het
eigen traditionele pre-Columbiaanse rituelen
met het rooms- katholieke geloof. De
godsdienstige invloed van het katholicisme
op het dagelijks leven is nog steeds groot,
maar de vroegere belangrijke rol in het
politieke leven is grotendeels verdwenen.
Naast het katholicisme en het protestantisme
komen er nog tientallen andere
geloofsbewegingen en sektes voor in Bolivia.
In 1994 waren er 64 verschillende stromingen
en sektes actief. De Bahai is de grootste
groep en verder nog o.a. mormonen, baptisten
en Jehova’s. Naast het christelijke geloof
en de sektes bestaat er nog steeds het
traditionele geloof, hoewel deze twee vaak
met elkaar verweven zijn. Ook animistische
trekjes komen nog steeds voor en met name
aan natuurverschijnselen worden mysterieuze
krachten toegekend. Zo wordt Maria
geïdentificeerd met Pachamama, de godin
Moeder Aarde. De curandero of yatiri is een
medicijnman die nog steeds een grote rol
speelt in het leven van de Boliviaan. Met
behulp van kruiden, mineralen en magie kan
hij o.a. zieken genezen en voorspellingen
doen. De eerste Boliviaanse grondwet dateert
al van 1826, nadat het land een jaar eerder
onafhankelijk van Spanje was geworden.
Hoewel Sucre de officiële hoofdstad is van
Bolivia, is La Paz de administratieve
hoofdstad en ook de regering zetelt hier.
De uitvoerende macht in Bolivia’s politieke
systeem ligt bij de president die samen met
de vice-president elke vijf jaar door het
volk gekozen wordt. Na afloop van zijn
ambtstermijn is hij niet direct herkiesbaar.
De president benoemt de raad van ministers.
De wetgevende macht (Congreso Nacional) is
verdeeld in twee kamers: de Senaat (Senado)
en de Kamer van Afgevaardigden (Cámara de
Deputados). Het hogerhuis of de Senaat
bestaat uit 27 senatoren, drie uit elk
departement, die elk voor vijf jaar gekozen
worden. Het lagerhuis of de Kamer van
Afgevaardigden bestaat uit 130 leden die ook
voor vijf jaar gekozen worden.
Er bestaat algemeen kiesrecht voor mannen en
vrouwen vanaf 18 jaar. Volgens de herziene
grondwet van 1995 wordt 50% van de leden
gekozen via partijlijsten terwijl de andere
helft een bepaald district
vertegenwoordigen. Bolivia is verdeeld in de
negen administratieve departementen La Paz,
Cochabamba, Potosí, Santa Cruz, Chuquisaca,
Tarija, Oruro, Beni en Pando. Elk
departement is weer onderverdeeld in ca. 112
provincies waarvan het bestuur de inkomsten
en uitgaven controleert. De provincies zijn
weer onderverdeeld in ca. 1384 kantons en
worden bestuurd door een prefect, een
subprefect en een zogenaamde “corregidor”.
In de hoofdsteden van de departementen en de
provincies vormen gekozen colleges het
lokale bestuur. In enkele gebieden is de
Indiaanse bevolking nog op traditionele
wijze in ayllu's (gemeenschappen)
georganiseerd. Indianen zijn pas sinds kort
in het nationale parlement vertegenwoordigd.
Onderwijs
Basisonderwijs is gratis en verplicht voor alle kinderen tussen
de zes en de veertien jaar. Recente
tellingen wezen uit dat er ongeveer 2300
kleuterscholen en ongeveer 13.000
basisscholen zijn. Er gingen bijna 1,3
miljoen kinderen naar de basisschool en
bijna 220.000 naar het voortgezet onderwijs.
Hoger onderwijs werd gevolgd door ca.
140.000 studenten. Er zijn universiteiten in
La Paz, Sucre, Cochabamba, Oruro, Potosí,
Santa Cruz en Tarija. De oudste universiteit
van Zuid-Amerika is de San Francisco Xavier
in Sucre, gesticht in 1624. De Universiteit
van San Andrés in La Paz is de grootste van
het land met meer dan 35.000 studenten.
Veel hoog opgeleiden verlaten na het behalen
van hun diploma Bolivia en gaan werken in
Argentinië of Chili waar veel meer betaald
wordt. Engels wordt op middelbare scholen
als onderdeel van het vakkenpakket
onderwezen. Door de regering wordt het
onderwijs gelukkig als essentieel beschouwd
voor de sociale en economische ontwikkeling
van Bolivia. Eind jaren tachtig kon een
derde van de bevolking ouder dan 15 jaar
niet lezen of schrijven. Tien jaar later was
dat percentage gedaald tot 20%. Begin jaren
vijftig ging maar ongeveer 15% van de
kinderen naar school. Nu gaat ongeveer 90%
van de kinderen naar het basisonderwijs,
maar velen haken onderweg toch nog af. In
sommige dorpen ontbreekt zelfs nog enige
vorm van onderwijs en met name op het
platteland moeten kinderen al op jonge
leeftijd helpen in de landbouw en verlaten
dan de school.