Naar een plek waar niemand komt,
dat gaan we. Oké, bijna niemand.
Over een pad dat nauwelijks is
bewandeld. Door een dal dat door
een Picasso lijkt geschetst,
langs bergruggen die als in een
gigantische kijkdoos langs
elkaar schuiven. Naar een oude
wereld, hoog in de Andes,
verborgen, vergeten, en opnieuw
ontdekt.
‘Daar is het’, zegt
de gids al na een paar uur lopen
op dag 1 van een tocht die (heen
en terug) vijf dagen gaat duren.
‘Kijk, dáár’, en hij wijst met
zijn wandelstok ergens hoog in
de verte. Net als de anderen in
het groepje knik ik ja, al weet
ook ik niet zeker welke bergtop
hij precies bedoelt. Die daar
rechts, die met dat bultje, zal
hij toch zeker niet bedoelen,
die is vast te hoog voor iemand
die gisteren in Cusco nog
twijfelde of die nieuwe
wandelschoenen echt wel nodig
waren.
Die berg is het.
Choquequirao, de Wieg van Goud.
Al in 1710 genoemd door een
Peruaanse ontdekkingsreiziger,
mogelijk de geheime plek waar de
laatste Inca, Tupac Amaru,
vierenhalve eeuw geleden
opgroeide tussen de priesters –
maar dat weet geen wetenschapper
zeker.
De stad is alleen te voet te
bereiken, en dat mag je dus
zelfs in de Andes enigszins
afgelegen noemen. Soms lijkt het
een heuse missie. Als ik achter
gids Richard aan schuifel;
‘langzaam’ zegt hij, ‘want het
wordt nog veel zwaarder.’ Als
het water wordt uitgedeeld, waar
we zuinig mee moeten doen, want
als de zon doorbreekt, zal het
snel heet worden. Als ik gebukt
een richel oversteek, iets meer
dan twee schoenmaten 44 breed,
met de Apurímac-rivier in de
diepte. Elke steen kan
loszitten.
We zijn het massatoerisme
vóór: geen geplaveide route,
geen kabelbaan, geen mens
eigenlijk. Iedereen die naar
Peru reist, gaat naar de Machu
Picchu, dat allereerst en
bovenal. Naar de majestueuze
Inca-stad – te voet over de
Trail, of per trein en bus. Een
half miljoen bezoekers per jaar,
dé attractie van Zuid-Amerika.
Maar de Machu Picchu is
overbelast. Stenen raken
beschadigd, de grond verzakt,
een maand per jaar moet de Inca
Trail dicht voor een grote
schoonmaak. Eén maatregel is al
genomen: was het aantal
toegangsbewijzen voor de Trail
tot twee jaar geleden onbeperkt,
nu worden per dag 500 lopers
toegelaten. Omdat gidsen, koks
en dragers ook meetellen, is er
nog maar plek voor zo'n 180
toeristen. Drie tot zes maanden
van tevoren reserveren is
noodzakelijk; rugzakkers die op
de bonnefooi door Peru reizen,
kunnen het wel vergeten.
Tenzij ze de ‘Nieuwe Inca
Trail’ lopen, naar Choquequirao,
die dan ook maar meteen als de
‘Nieuwe Machu Picchu’ de boeken
(en brochures van Promoción del
Perú) in gaat. Niet zo imposant
als de Machu Picchu zelf, maar
in de Inca-tijd wel net zo groot
en belangrijk. Vermoeden de
archeologen.
Zo gaat ook deze Inca Trail:
voor vijf toeristen komt een
karavaan in beweging met een
gids, een kok, een hulpkok, vier
dragers en vier ezels en een
paard. Drie keer per dag een
drie gangenmaal, en als het even
kan nog een tea time tussendoor.
Met koekjes en popcorn. Alleen
al aan kookspullen slepen we 120
kilo mee, zegt de gids. Plus
vier slaaptenten, een kooktent,
een eettent, slaapzakken,
matjes, uitklapbare tafels en
stoelen, en de oranje tassen met
extra kleding en boeken waar we
niet aan toe zullen komen.
Vandaag, als we ‘rustig’ afdalen
naar de rivier op 1500 meter,
kunnen de beesten nog meekomen,
morgen, als we steil omhoog gaan
naar de ruïnes, nemen Marcelino
en Serillo alles op hun rug.
Hoezo missie? Loop je daar
met je kleine rugzak, met wel
twee flessen water (poeh poeh),
een camera, anti-muskietenspul,
zonnebrand en een regenponcho zo
dun als een vuilniszak. Eerst
pompidompidom door de vallei met
het lieflijke koloniale kerkje,
de stille hacienda, de
rood/oranje vruchtjes van de
pisonai-bomen, die de boeren
gebruiken bij de bereiding van
cavia. Later, als na vijf uur
lopen de schemering is
ingevallen en de goedkope
zaklamp, op de valreep gekocht
in een souvenirshop, het al
heeft begeven, gaat het al iets
geconcentreerder: waar zet ik
mijn voet neer?
En dan word ik gewoon voorbij
gehuppeld door vriendelijk
lachende bouwvakkers op
slippers, met, o ja, wat stenen
of cement op hun rug. Tientallen
zullen we er nog tegenkomen. Ze
werken voor Copesco, het
overheidsbedrijf dat bouwt in en
om de monumentale toeristische
attracties van Peru. De mannen
herbouwen een Inca-huis (tot
groot verdriet van vele
archeologen), maar leggen ook
een nieuwe brug aan over de
rivier. En effent de camino inca
naar Choquequirao voor de
toeristen die zullen gaan komen.
We zijn vandaag ongewenst. Ze
hebben niet gerekend op vijf
toeristen – een Amerikaanse (die
af en toe haar meegebrachte
chocola in de rivier moet
koelen), een Nederlandse (die
hoopt op een spirituele ervaring
in de religieuze sectie van
Choquequirao), een jonge Duitse
(met cowboyhoed) en een duo
filmer en journalist dat alsmaar
vragen stelt. ‘U mag niet
verder’, zegt de voorman in het
kamp bij de rivier.
‘Morgenochtend gaan we met
dynamiet aan de slag. Het is te
gevaarlijk. Er komen rotsblokken
naar beneden.’
Hoop gedoe in het donker,
maar natuurlijk vertrekken we de
volgende ochtend toch. In alle
vroegte, zodat we de werkplek
halverwege de berg vroeg kunnen
passeren. En het gaat goed, al
zien we een paar keer
behoorlijke stenen de diepte in
verdwijnen. De Amerikaanse noemt
het ‘rakelings’, de gids
beschuldigt de voorman via zijn
walkie-talkie van onverantwoord
gedrag (‘Wat is er nou
belangrijker, jouw werk of het
leven van de toeristen?’). Echt
in gevaar komen we niet, maar
hij wil een uur later toch wat
foto’s van ons maken: of we even
tegen de berg aan willen liggen
en willen kijken en schreeuwen
alsof we bang zijn. Doen we.
Het is dé dag vandaag:
slechts 4,5 kilometer nog naar
Choquequirao, maar wel alles
zigzaggend omhoog naar zo’n 3000
meter. Eerst in de motregen en
mist (met die poncho van minder
dan een euro), dan in een graad
of dertig. Het tempo ligt laag.
Niet om ons te sparen of te
behoeden voor overschatting,
blijkt al snel, maar omdat de
gids voorop last heeft van zijn
knie. Ieder door op zijn eigen
tempo, de gids dus achteraan.
De Apurímac rivier
verschrompelt tot een lint, dat
beneden losjes tussen de bergen
lijkt neergelegd. Boven ons moet
Choquequirao liggen, maar dat is
niet te zien. Ik zie enkel
steeds de volgende twintig of
vijftig meter, tot de volgende
haarspeldbocht, en ben benieuwd
hoe steil het vanaf daar weer
zal zijn. Uren traplopen lijkt
het, maar dan op ongelijke
stenen of mul zand. Ergens voor
me lopen de dragers, ergens
achter me de kok en de hulpkok
(die in het kamp eerst nog de
afwas hebben gedaan).
Als we aankomen, na een klim
van zes uur, staan de tenten al.
In een kamp op wat eens een
akkerbouwterras was van
Choquequirao. ‘Er is een
douche!’, roept de Amerikaanse,
‘en wc’s!’ Niet zozeer bedacht
voor de toeristen (er zijn er
ook een paar via de andere kant
van de berg gearriveerd), als
wel voor de mensen die er be-zig
zijn met de reconstructie van de
site. Archeologen, architecten,
bouwvakkers, en veel boeren uit
de omgeving die boven een
teiltje gevonden keramiek,
botten en stenen schoonpoetsen
met een tandenborstel.
De reconstructie die in 1993
is begonnen, gaat ook door als
er toevallig wat toeristen
langskomen. ‘We willen niet dat
hier hetzelfde gebeurt als bij
de Machu Picchu’, legt
archeoloog Homar Gallegos de
volgende dag uit in de werktent.
‘Dat is een schitterende plek,
maar eigenlijk weten we er niet
zoveel van af. Het toerisme zit
in de weg. In Choquequirao
willen we dat beter
controleren.’
Net als bij de Machu Picchu,
hemelsbreed op zo’n vijftig
kilometer afstand, is nog maar
een klein deel van de stad
blootgelegd. Bij Choquequirao
gaat naar schatting nog 90
procent schuil onder bomen,
gras, zand en steen.
Het moet enorm zijn geweest.
Vanaf het Heilige Platform, twee
jaar geleden toch maar iets
verder afgevlakt omdat de vrouw
van president Toledo er met een
helikopter wilde landen, is het
centrum van weleer te
aanschouwen. Beneden het Plein
en de Muur van Triomf,
daarachter de ‘Urin’-sector, het
‘lagere’ gedeelte, met huizen
van twee verdiepingen en muren
van dubbele dikte. Wat betekent
dat daar in de vijftiende en
zestiende eeuw belangrijke
Inca’s woonden. Boven, in het
Hanan-deel, zetelden de
priesters, uitkijkend op de
besneeuwde top van de Yanama en
over de stad die aan het einde
van het Inca-rijk in 1572 nog
niet af zou zijn.
Bouwvakkers zijn nu de enigen
die geluid maken. Ze herbouwen
huizen in de Urin, onder
toeziend oog van een architect.
Verder: niemand. De plaza is
leeg, soms passeert een man met
een kruiwagen.
En dan is er het besef: ik
zit op 3100 meter hoogte, kijk
uit op huizen waar, wie weet
Tupac Inca, de zoon van de grote
Inca-leider Pachacutec, heeft
gewoond, en realiseer me dat ik
helemaal van die rivier daar
diep beneden ben gekomen.
Het is geen Machu Picchu,
eerlijk is eerlijk, maar hier
hoor je de stilte nog, dáár hoor
je filmende en bellende mensen,
en sta je continu in ieders
beeld. Aguas Calientes, het dorp
aan de voet van de Machu Picchu,
heeft al de allure van een
goedkope badplaats, elke paar
minuten vertrekt er een
genummerde bus naar het
heiligdom boven, stelletjes
kunnen er binnenkort trouwen, en
biermerk Cusqueña nam er al een
reclamespot op: een kraan van de
filmploeg beschadigde toen de
beroemde steen Intihuatana, een
granieten zonneklok.
Choquequirao zal dat
vermoedelijk niet snel
overkomen. Een weg aanleggen
hiernaartoe is onhaalbaar, dat
is al onderzocht. Dus lopen
blijft het devies. Niet alleen
voor de toeristen – nu een paar
honderd per jaar, en als het aan
PromPeru ligt spoedig enkele
duizenden – maar ook voor de 200
man in ploegendienst. Onze
terugweg naar het dorpje Cachora
(urenlang zigzag naar beneden
rennend en remmend, en dan weer
een ochtend steil omhoog, maar
nu in straf tempo) is eens in de
drie weken voor velen de route
naar vrouw en kind.
Morgen is het weer zover.
Acht dagen vrij. Vanavond feest.
Voor ons tentje luisteren we
naar een bonte avond met zelf
gebrouwen bier en een
cassettebandje van The Village
People en O-Zone. De Peruanen
schallen in fonetisch Engels mee
met de refreinen van In The Navy
en in alle talen met Miya-hee,
miya-hoo – de hele vallei kan
het horen.
Een verborgen wereld is dan
ineens een stuk gewoner
geworden. En een stukje
dichterbij gekomen.