| |
Bolivia (officieel: República
de Bolivia) is een
presidentiële republiek in
Zuid-Amerika. Het land wordt
volledig omsloten door
andere landen. Bolivia
grenst in het noorden en het
oosten aan Brazilië (3400
km), aan Paraguay (750 km)
in het zuidoosten, aan
Argentinië (832 km) in het
zuiden en aan Chili (861 km)
en Peru (900 km) in het
westen. Vroeger was Bolivia
twee keer zo groot en
grensde het zelfs aan de
Stille Oceaan (Pacific). In
de loop der tijd heeft het
land veel gebied verloren
aan de buurlanden.
Bolivia is qua oppervlakte
het vijfde land van
Zuid-Amerika en meet
1.098.581 km2. Het is
daarmee ongeveer net zo
groot als Spanje en
Frankrijk samen en ongeveer
26x zo groot als Nederland.
Bolivia ligt in het centrum
van het Andesgebergte dat
van noord naar zuid over het
Zuid-Amerikaanse continent
loopt. Het Boliviaanse
Andesgebergte bestaat uit
twee evenwijdig lopende
bergketens. Daartussen ligt
een hoogvlakte (Altiplano)
die op een hoogte van ca.
4000 meter ligt. De
oostelijke bergketen heet de
Cordillera Oriental en daar
komen toppen voor tot 6500
meter hoogte. De westelijke
bergketen heet Cordillera
Occidental en kenmerkt zich
door veel vulkanische
activiteit en droge
woestijnachtige gebieden.
Langs de grens met Chili
liggen rijen vulkanen met de
hoogste berg/vulkaan van
Bolivia, de Sajama (6700
meter). Het laagste punt van
Bolivia ligt bij de Rio
Paraguay (90 meter boven
zeeniveau).
De hoogvlakte (Altiplano)
grenst in het noorden aan
het Titicaca-meer en in het
zuidwesten aan een gebied
met woestijnen en zoutmeren.
Het Titicaca-meer ligt 3810
meter boven de zeespiegel,
heeft een oppervlakte van
8800 km2, is tot 400 meter
diep en is het hoogst
bevaarbare meer ter wereld.
Dwars door het meer loopt de
grens met Peru. De Altiplano
heeft in een zeer ver
verleden onder zeeniveau
gelegen. Bewijzen daarvoor
zijn de vele fossiele
schelpen, koralen en
zeedieren die gevonden zijn.
In het oosten liggen
middelhoge bergmassieven met
diepe, door rivieren
uitgeslepen dalen (yungas).
Ten zuiden hiervan gaat dat
gebied over in een
valleiengebied (valles) die
nog altijd op 2000 à 3000
meter hoogte liggen. Het
noordelijke gedeelte van de
laagvlakte behoort tot het
stroomgebied van de Amazone.
Hier vinden we regenwoud (Oriente)
dat naar het zuiden overgaat
in een savanne-achtig
landschap met grasvlaktes (pampas).
In het zuidwesten liggen
uitgestrekte
salpeterwoestijnen en
zoutmoerassen.
De Andesmassieven verdelen Bolivia in klimaatzones en zijn voor
het klimaat dé bepalende
factor. In het noordelijk
gelegen Amazonegebied is het
klimaat tropisch en vochtig,
in het zuidoosten is het
droog en heet, in de
valleien is het vrij koel en
in het hoogland is het koud.
Het regenseizoen valt in de
zomer, van december tot
april. De winter die van mei
tot augustus duurt, is het
droge seizoen.
Een andere manier om het klimaat globaal in te delen is de hoogte
waarop dorpen en steden
gelegen zijn. Boven de 4000
meter is het meestal koud (tierra
fría), ’s nachts zelfs tot
–20°C. Tussen de 2000 en
4000 meter is het gematigd
warm tot koud. Tussen de
1500 en 2500 meter is het
vaak aangenaam subtropisch
weer (tierra templada).
Beneden de 1000 meter is het
over het algemeen tropisch
warm (tierra caliente).Op de
oostelijke bergketen, de
Cordillera Oriental, valt de
meeste sneeuw en behoorlijk
veel regen op de wat lagere
delen. Op de westelijke
bergketen, de Cordillera
Occidental, valt zeer weinig
neerslag. Door de constante
temperatuur (9°C) van het
Titicaca-meer heerst er rond
dit meer een mild klimaat.
In het zuiden en de
zuidwesthoek van het land
wordt het steeds kouder en
kan het ’s winters streng
vriezen. In het hoge
Andesgebergte is de winter,
die van mei tot september
duurt, zonnig en droog. Op
4000 meter hoogte is het
10-15°C, maar voelt het door
de felle zon warmer aan. ’s
Nachts daalt de temperatuur
tot onder het vriespunt. De
gemiddelde zomertemperatuur
ligt vaak maar enkele graden
hoger dan in de winter
doordat het ’s zomers vaak
regent en bewolkt is. La Paz
ligt bijvoorbeeld op 3658
meter hoogte; in januari is
het gemiddeld 10°C en in
juli 7°C; er valt gemiddeld
572 mm neerslag per jaar.
In de dalen tussen de in het
oosten liggende middelhoge
berggebied is het zeer
regenachtig en subtropisch
warm. Dit gebied gaat over
in valleien (valles) met
minder regen, en dan alleen
nog in de regentijd van
december tot april. In de
laagste dalen van het
Andesgebergte is het
tropisch warm. In de
laaglanden heerst een
tropisch, vochtig klimaat.
Het vriest hier nooit, maar
het kan wel ineens sterk
afkoelen als de Surazo
waait, een koele zuidenwind.
Ook hier valt de meeste regen in de zomer en dat kan zelfs tot
grote overstromingen leiden
doordat de rivieren de grote
hoeveelheden water niet
kunnen verwerken. Concepción
ligt op 490 meter hoogte; in
januari is het gemiddeld
24°C en in juli 20°C; er
valt gemiddeld 1141 mm
neerslag per jaar. Doordat
Bolivia op het zuidelijk
halfrond ligt, is het bij
ons zomer als het daar
winter is en omgekeerd.
De Amazonevlakte in het
noordwesten bestaat uit
tropisch regenwoud, evenals
het moerassige gebied in het
zuidoosten. In het zuiden
ligt tussen de puna- páramo-
vegetatie en het llanogebied
een streek met
Sierra-vegetatie dat wil
zeggen doornstruiken en
cactussen en in hogere delen
altijdgroen bos. Het
Andesgebied bezit een
puna-vegetatie. Het
llano-gebied bezit een
savannevegetatie, de
hoogvlakte heeft
gedeeltelijk een
páramo-vegetatie en
gedeeltelijk een puna-
vegetatie. In de jungle
groeien nog steeds de steeds
zeldzamer wordende
mahoniebomen. Verder cacao-
en rubberbomen, de bibosí en
veel palmensoorten. In
ondiepe meren komt de
schitterende Victoria Regia
voor. Op de Altiplano groeit
niet zoveel door de kou en
de geringe neerslag: lage
struiken, cactussen,
vetplanten, mossen en gele
graspollen. Opvallend is de
yareta, die boven de 4000
meter groeit en honderden
jaren oud kan worden. De
keñua is een boomsoort die
zich zelfs tot 5200 meter
hoogte staande kan houden.
De Yungas
(oostelijke berghellingen)
zijn voor een groot gedeelte
bedekt met nevelwouden en
verder varens, bergbamboe en
uiteindelijk subtropisch bos
met orchideeën, bromelia’s
en palmen. Onder de
reusachtige bomen van het
tropisch regenwoud groeien
veel kleine bomen en lianen
en op de bodem o.a. varens,
begonia’s en paradijsbloemen
of heliconia’s.
De meest bijzondere plant
van Bolivia is de Puya
Raimundi, de grootste
vetplant van de wereld met
een bloemstengel tot 12
meter lengte. Voordat deze
plant bloeit gaan er honderd
jaar voorbij. Van de
gecultiveerde planten is de
aardappel de bekendste. In
de Andes komen meer dan 200
soorten voor. Een andere
plant die belangrijk is voor
de voedselvoorziening is de
yuca, die in de laaglanden
wordt verbouwd. Ook maïs en
quinoa worden voor de
voedselvoorziening geteeld.
De bekendste groep dieren van het Andesgebergte zijn de
kameelachtigen: de guanaco,
de vicuña, de alpaca en de
lama. De guanaco en de
vicuña leven in het wild, de
lama en de alpaca zijn tot
huisdieren gemaakt. Zij
worden gebruikt als lastdier
en voor het vlees en de wol.
De vicuña is een beschermd
dier en er leven in Bolivia
nog ongeveer 2000
exemplaren. Andere
bijzondere dieren in het
Andesgebergte zijn de
viscacha, een grote
chinchillasoort met een
opvallend lange staart, de
zeldzame brilbeer of
Andesbeer en de condor, een
roofvogel met een spanwijdte
van drie meter die een grote
rol speelt in de Boliviaanse
mythologie. Verder nog de
rhea, een nandoesoort
(struisvogelsoort), en de
zeer zeldzame James-flamingo.
Veel voorkomende watervogels
zijn Andesganzen, ibissen,
kluten, futen en meerkoeten.
Kolibries en papegaaien
komen zelfs boven de 4000
meter nog voor en op grote
hoogte leven ook nog
bergtoekans. Zoogdieren in
het Andesgebergte zijn o.a.
de bergocelot en de poema,
de wilde marmot en de
armadillo, een gordeldier.
De tropische laagvlakte
herbergt zeer veel dieren
waaronder bekende dieren als
de panter, de jaguar, de
tapir, de javelí of
navelzwijn en de anaconda,
een reusachtige wurgslang.
Apensoorten die voorkomen
zijn brulapen, slingerapen
en doodshoofdaapjes.
Kleinere zoogdieren zijn
neusberen, agouti’s
(knaagdier), miereneters,
otters en luiaards. In de
pampagebieden leven in de
rivieren o.a.
waterschildpadden, roze
zoetwaterdolfijnen en
alligators. De capibara is
het grootste knaagdier ter
wereld. De grote jabira is
een ooievaarachtige en is
door zijn kleuren een
opvallende verschijning.
Verder komen in tropisch
Bolivia nog hoatzins,
sterns, aalscholvers,
slangehalsvogels en
verschillende soorten
ijsvogels voor. Van de
vlindersoorten is de grote
blauwe morpho de
opvallendste, naast
prachtige passiebloem- en
pagevlinders. In het
Titicaca- meer komen zalm,
forel en koningsvis of
pejerrey voor. De avifauna
behoort tot de rijkste ter
wereld. Er komen ca. 1200
soorten vogels voor; een
merkwaardige kortvleugelige
fuut komt alleen maar voor
in de buurt van de bergmeren
Titicaca en Poopó. Door de
tropische harthoutindustrie
en het kappen en platbranden
voor de landbouw verdwijnen
er jaarlijks vele duizenden
hectares bos. Maar een klein
percentage wordt tot nu toe
herbebost. De erosie en de
uiteindelijke
woestijnvorming vormt een
grote bedreiging voor de
planten- en dierenwereld.
De laatste jaren wordt hier
door de regering wel meer
aandacht aan besteed. De
nationale parken zijn
moeilijk te bereiken, maar
zouden wel een bron van
inkomsten kunnen worden
i.v.m. het toerisme.
Aangenomen
wordt dat de oorspronkelijke
bewoners van het Amerikaanse
continent, de indianen,
tienduizenden jaren geleden
vanuit Azië overstaken naar
Amerika. Nog eens duizenden
jaren later was het hele
Amerikaanse continent
bewoond. Ook neemt men aan
dat er ook nog andere volken
naar Amerika kwamen.
Opvallend in dat verband
zijn de overeenkomsten
tussen de Andestalen Aymará
en Quechua en het
Polynesisch. Ook uiterlijk
zijn er duidelijke
overeenkomsten. Menselijke
bewoning in de Andes dateert
al minstens van 13.000 voor
Chr., o.a. de
Vizcachani-cultuur. Deze
nomadisch levende stammen
gingen pas vanaf 6000 voor
Chr. over op landbouw en
veeteelt. Van de levenswijze
van deze oude culturen is
verder weinig bekend. Deze
hele periode tot ongeveer
3000 voor Chr. wordt ook wel
de prekeramische periode
genoemd. De keramische
periode duurde van 3000 voor
Chr. tot ongeveer 1500 na
Chr. Van deze periode is
veel meer bekend geworden
door met symbolen en
decoraties beschilderde
potten, vazen maar ook mooie
weefkunst vertelt veel over
de geschiedenis van de
verschillende culturen. De
belangrijkste cultuur in
Bolivia uit die tijd is de
Tiwanaku- cultuur geweest.
Deze cultuur kenmerkte zich
door de voor die tijd al
zeer gespecialiseerde
landbouwmethodes die
overvloedig voedsel
opleverden. Dit is
waarschijnlijk ook een van
de redenen dat deze machtige
cultuur zolang toonaangevend
bleef in deze regio. De
plotselinge verdwijning van
deze cultuur in het begin
van de 12e eeuw is tot op de
dag van vandaag een raadsel,
maar had waarschijnlijk te
maken met klimatologische
omstandigheden. Er bestonden
nog enkele andere, kleinere
culturen in het toenmalige
Bolivia waaronder de Beni in
de tropische laagvlakte, de
Kolla cultuur rond het
Titicaca-meer, de Wankarani
en Chiripa. De Wankarani
hebben vierkante graftorens
nagelaten en de Kolla
gigantische ronde
graftorens.
Het Inca-rijk
Vanuit de hoofdstad Cusco in
Peru kwam Bolivia onder het
gezag van de Inca’s
(1200-1500 na Chr.). De taal
van de Inca’s, het Quechua,
moest door elke onderdaan
gesproken worden en is nu
nog steeds één van de
officiële talen van Bolivia.
Het Inca-rijk was verdeeld
in vier gebieden waarvan
Collasuyo een groot deel van
Peru, geheel Chili, een
stukje Noord-Argentinië en
het huidige Bolivia omvatte.
De Inca’s legden wegen aan
en bouwden aquaducten,
terrassen, forten en
tempels. Ook ontstonden er
grote steden in de vlaktes.
Uiteindelijk waren 43
verschillende volken
Inca-onderdanen geworden. De
Inca-bezetting van Bolivia
zou uiteindelijk maar 70 à
80 jaar duren. Rond 1520
brokkelde het Inca- rijk
langzaam af door o.a.
interne conflicten.
Spaanse veroveraars
(conquistadores)
|
|
In 1532 kwam een expeditie onder leiding van de Spanjaard
Francisco Pizarro
(vermoord in 1538)
aan de noordkust van
Peru aan wal. De
laatste Inca-vorst
Atahualpa werd
gedood en
betrekkelijk snel
werden grote delen
van het Zuid-
Amerikaanse
continent veroverd.
Bolivia heette toen
nog Alto-Perú (Opper-Peru)
en werd bij het
onderkoningschap
Peru gevoegd. Op en
rond de hoogvlakte
weren steden
gesticht en nog
later werd ook het
tropisch laagland
gekoloniseerd. Na de
ontdekking van
zilvervoorraden werd
in 1545 de stad
Potosí gesticht die
al snel uitgroeide
tot de grootste en
rijkste stad van de
Nieuwe Wereld
(Noord- en
Zuid-Amerika) met
200.000 inwoners.
Het werd door de
Spanjaarden “La
ville imperia”, de
keizerlijke stad
genoemd.
Het
encomienda-systeem
werd door de
Spanjaarden
toegepast. Dit
betekende dat de
conquistadores land
dat veroverd werd
zoveel als ze
konden, mochten
exploiteren. De
opbrengsten werden
gedeeld tussen de
conquistadores en de
Spaanse Kroon. Een
andere voorwaarde
was dat de indiaanse
bevolking tot het
christendom bekeerd
moest worden. De
indianen werden o.a.
in de mijnen
tewerkgesteld en
moesten onder
afschuwelijke
omstandigheden hun
werk doen. Tegen het
einde van de
zestiende eeuw liep
de indiaanse
bevolking al
schrikbarend terug;
miljoenen indianen
vonden de dood door
de dwangarbeid. Door
de
werkomstandigheden
in de mijnen maar
ook door het
uitbreken van door
de Europeanen
meegebrachte
besmettelijke
ziektes, was de
indiaanse bevolking
rond 1650 bijna
gehalveerd tot een
half miljoen
personen. Door het
tekort aan
arbeidskrachten werd
er al snel op grote
schaal slaven uit
Afrika geïmporteerd.
Monniken van de
Jezuïetenorde, en
later de
Franciscanen,
hielden zich de
eerste 200 jaar
bezig met het
bekeren van de
indianen tot het
christendom. In de
loop der eeuwen
vermengde zich het
rooms-katholieke
geloof met de
traditionele
rituelen en
gebruiken. In 1548
werd La Paz gesticht
en nog wat later
steden als
Cochabamba en Oruro.
Na vijandige acties van indianen in het oosten en noordoosten
werd er voor het
eerst door de
Spanjaarden rond
1560 enige vorm van
zelfbestuur
toegestaan. De 18e
eeuw werd gekenmerkt
door een toenemend
verzet van de
indianen tegen de
Spaanse
overheersing. Zo
leidde in 1780 Tupac
Amaru een opstand
van de Quechua en de
Amayá tegen de
koloniale regering.
Ze werden echter
verslagen en hun
leiders werden
vermoord. Tupac
Katani belegerde La
Paz later zelfs twee
keer, maar ook hij
werd uiteindelijk
gedood. Toch zou het
niet lang meer duren
voordat Bolivia
onafhankelijk werd.
|
|
|
Bolivia onafhankelijk
De macht van de Spanjaarden
in Europa en dus ook in
Zuid-Amerika brokkelde af
doordat Napoleon Spanje
binnenviel. Onder de
criollo’s, de blanke Zuid-
Amerikanen ontstonden al
snel verschillende groepen
van personen die zich voor
de onafhankelijkheid
uitspraken o.a. doordat de
Spanjaarden de belangen van
het moederland steeds voorop
stelden. De belangrijkste
was Símon Bolívar (1783-
1830) die samen met zijn
maarschalken José de Sucre
en José San Martín vanaf
1810 met zijn militaire
leger bijna alle Spaanse
kolonies bevrijdde. In april
1825 versloeg Sucre de
Spanjaarden in Opper-Peru
bij de slag van Tumusla en
op 6 augustus 1825 werd de
onafhankelijkheid van de
“República de Bolívar”
uitgeroepen, de naam
uiteraard als eerbetoon aan
de vrijheidsstrijder
Bolívar. Later zou de naam
Bolívar in Bolivia
veranderen.
Bolívar en Sucre waren de
eerste twee presidenten van
Bolivia. Vele presidenten en
regeringen zouden hen
opvolgen in dit politiek
onrustige land. Tussen 1825
en 1994 vonden er 194
regeringswisselingen plaats;
meer dan de helft daarvan
waren militaire regeringen
(dictaturen) terwijl ook de
rooms-katholieke kerk een
grote rol speelde in de
binnenlandse politieke
aangelegenheden. Ook heeft
Bolivia sinds 1825 16
verschillende grondwetten
gekend. De mijnen en de
gemeenschappelijke
landbouwbedrijven kwamen in
handen van de blanken
waardoor de indiaanse boeren
en mijnwerkers als slaven
behandeld werden.
Bolivia verliest veel
grondgebied aan buurlanden
Opmerkelijk in de
geschiedenis van Bolivia is
het verlies van veel
grondgebied aan de
buurlanden. Sinds de
onafhankelijkheid in 1825 is
de oppervlakte van Bolivia
ongeveer gehalveerd. Zo had
Bolivia samen met Peru tot
1884 een groot stuk
grondgebied in het noorden
van het huidige Chili.
Belangrijk voor Bolivia dat
het stuk land grensde aan de
Stille Oceaan. Beide landen
raakten van 1879 tot 1884 in
oorlog met Chili en verloren
uiteindelijk het gebied aan
de Chilenen. Deze oorlog
wordt de “salpeteroorlog”
genoemd omdat er ook
gestreden werd om de rechten
op het winnen van zout en
koper in het kustgebied.
Vanaf die tijd heeft Bolivia
geen open verbinding meer
met de oceaan. Bolivia mocht
nog wel een spoorlijn
aanleggen die van La Paz
naar de havenplaats Arica
liep, waar Bolivia tegen
betaling gebruik van kon
maken.
Brazilië annexeerde rond de
eeuwwisseling in het noorden
van Bolivia de rubberstreken
van Acre. Ook hier kreeg
Bolivia als genoegdoening
het recht om een spoorlijn
aan te leggen, van Riberalta
in Bolivia naar Rio Madeira.
Onder het bewind van de
presidenten Pando
(1899-1904), Montes (1904-
1909 en 1913- 1917) en
Villazon (1909-1913)
beleefde het land een
economische opbloei, doordat
de grondstoffen rubber en
tin gedurende de Eerste
Wereldoorlog op de
wereldmarkten hoge prijzen
noteerden. In 1917 verbrak
Bolivia de betrekkingen met
Duitsland, maar het nam niet
actief deel aan de oorlog.
Tussen 1928 en 1935 woedden
de Chaco-oorlogen tussen
Bolivia en Paraguay. Men
vermoedde olie in het
noorden van Paraguay (Gran
Chaco). De
oliemaatschappijen Standard
Oil Company(Bolivia) en
Shell (Paraguay) speelde een
grote rol in deze oorlog om
concessies. Tienduizenden
Bolivianen werden gedood, en
het navrante was dat er
nooit aardolie in de Gran
Chaco gevonden is. De
armoede onder de bevolking
nam na dit echec toe en er
werden nieuwe politieke
partijen en vakbonden
opgericht. De
petroleumindustrie was in
die tijd bijna geheel in
handen van de Standard Oil
Company en de tinmijnen in
handen van drie families
(Hochschild, Patiño en
Aramays). Tot grote
economische ontwikkeling of
sociale vooruitgang leidde
dit echter niet. Eind jaren
twintig moest jaarlijks meer
dan de helft van het
nationale inkomen worden
besteed aan het terugbetalen
van schulden. Dit leidde in
1936 tot een revolutie.
Burgeroorlogen, conflicten,
stakingen, opstanden
President
Toro probeerde een
staatssocialisme in te
voeren, maar hij stuitte op
verzet van de in Bolivia
aanwezige buitenlandse
bedrijven. Een van zijn
opvolgers, generaal
Peñaranda werd in 1943 door
nationalistische
groeperingen ten val
gebracht. Tijdens een
opstand in juli 1946 werd de
opvolger van Peñaranda,
Villaroel, door een woedende
volksmenigte vermoord. In
januari 1947 werd de rechtse
socialist Hertzog tot
president gekozen. Zijn
partij bezat in het
parlement geen meerderheid
en voortdurend probeerde de
Nationalistische
Revolutionaire Beweging de
macht in handen te krijgen.
Deze twisten ontaardden in
1949 in een burgeroorlog,
maar door de steun van het
leger wist Hertzog zich te
handhaven.
De opstand werd onderdrukt,
maar door de felle kritiek
op zijn beleid was Hertzog
gedwongen af te treden.
Tijdens de revolutie van 1952 versloeg de nationale garde samen
met de mijnwerkers het
leger. De macht kwam in
handen van Victor Paz
Estenssoro. Het leger nam de
macht echter in handen
voordat hij zijn functie kon
aanvaarden. Na een
volksopstand van enkele
dagen versloegen in april
1952 de volksmilities onder
leiding van Hernán Siles
Zuazo het leger. Estenssoro
werd geïnstalleerd als
president en voerde
belangrijke
sociaal-politieke
hervormingen door en maakte
een einde aan de macht van
enkele machtige families
door grote tinmijnen te
nationaliseren. In 1952 werd
ook het algemene stemrecht
ingevoerd en het feodale
systeem van grootgrondbezit
werd afgeschaft.
Alle boeren kregen wat land,
maar deze versnippering
leidde tot nog grotere
armoede onder de boeren en
een grotere trek naar de
steden.
Bij de
verkiezingen van 1956
behaalde de MNR een
overweldigende meerderheid
van stemmen; Siles Suazo
werd president. Opstanden en
stakingen waren gedurende
zijn bewind aan de orde van
de dag en vrijwel constant
verkeerde het land in een
noodtoestand. De
verkiezingen van 1960
brachten Paz Estenssoro weer
aan de macht. In 1963 raakte
president Estenssoro in
conflict met de
vice-president, Lechín, die
ook leider was van de
mijnwerkersvakbond. Dit
bracht hem het ongenoegen
van de mijnwerkers op de
hals. Ondanks de vele
kritiek op zijn beleid werd
Paz Estenssoro in mei 1964
herkozen als president, maar
na een opstand van het leger
werd de macht in handen
genomen door de
vice-president, generaal R.
Barrientos Ortuño. Tijdens
zijn regeringsperiode werd
de bekende vrijheidsstrijder
Ernesto Che Guevarra
gevangengenomen en vermoord
omdat men dacht dat hij een
boerenopstand aan het
voorbereiden was. Barrientos
stierf in 1969 en werd
opgevolgd door de
opperbevelhebber van de
strijdkrachten, Ovando.
Bolivia onder het juk van
dictators
In 1971 volgde alweer een
staatsgreep waarna generaal
Hugo Banzer aan de macht
bleef tot 1978.
Tijdens zijn regime werden universiteiten gesloten, vakbonden en
politieke partijen verboden
en tienduizenden mensen
zonder vorm van proces
opgepakt. Van kerkelijke
zijde werd geprotesteerd
tegen het veelvuldig
schenden van de
mensenrechten in Bolivia.
Het politieke verzet tegen
Banzer kwam zowel van links
als van rechts.
In juni 1974 gingen linkse
officieren tot opstand over,
waarop Banzer o.m.
parlementsverkiezingen
toezegde, die hij zelfs
wettelijk liet vastleggen.
Inmiddels was het duidelijk
geworden dat Banzer geheel
afhankelijk was geworden van
de rechtse officieren: onder
hun druk stelde hij ook de
plannen voor verkiezingen
voor een vijftal jaren uit.
Na Banzer volgden een hele
serie dictators (caudillos)
met als dieptepunt generaal
García Meza, wiens bewind
gekenmerkt werd door
martelingen, moorden,
connecties met de
drugshandel en uiteindelijk
een praktisch failliet
Bolivia.
De democratie keert terug
In 1982
werd de macht door de
militairen aan een
burgerregering onder leiding
van Hernán Siles Zuazo
overgedragen. Bolivia was op
dat moment volledig failliet
en de periode Zuazo werd dan
ook gekenmerkt door een
gigantisch geldontwaarding,
veel sociale onrust,
stakingen, hoge werkloosheid
en een steeds groter
wordende buitenlandse
schuld. In 1984 bedroeg de
inflatie gemiddeld 3% per
uur!! Bolivia was op dat
moment al een belangrijke
cocaïneproducent maar in
deze moeilijke tijden werd
de lucratieve handel (in
harde dollars) steeds
belangrijker voor de
economie van het land.
Vanaf 1982
probeerden de Amerikanen in
ruil voor economische hulp
de cocaïnehandel in Bolivia
onder controle te krijgen.
Estenssoro won in 1985
opnieuw de verkiezingen en
nam een aantal rigoureuze
maatregelen om de economie
weer wat op te krikken. Zo
werden overheidsuitgaven
gedecentraliseerd en zwaar
verliesgevende
staatsondernemingen gesloten
of geprivatiseerd. Het
gevolg was wel dat er vele
mijnen gesloten werden en er
tienduizenden mijnwerkers
zonder werk kwamen te
zitten. Ook de onverwachte
ineenstorting van de
wereldtinmarkt in 1985
kostte veel werknemers hun
baan. Op dat moment leefde
90% van de bevolking onder
de armoedegrens.
In 1989 werd vice- president
Jaime Paz Zamora tot
president gekozen. Hij
regeerde samen in een
coalitie met de ex-dictator
Hugo Banzer, die vreemd
genoeg tijdens zijn vorige
bewind verantwoordelijk was
voor een aanslag op linkse
politici, waarbij Zamora
ternauwernood aan de dood
ontsnapte. In juli 1993
kreeg Bolivia van Peru tot
het jaar 2091 via een
concessie een smalle toegang
tot de Grote Oceaan. In 1993
kwam de populaire Gonzalo
Sánchez de Lozado aan de
macht en hij ging een
coalitie aan met Hugo
Cardenas, een Aymará-
indiaan van de indiaanse
partij MRTKL, waardoor een
gedeelte van de indiaanse
bevolking rechtstreeks in
het parlement was
vertegenwoordigd. Zij
voerden een economisch
hervormingsprogramma, o.a.
een zeer ambitieus
privatiseringsprogramma, met
daaraan verbonden vele
sociale maatregelen (Plan de
Todos), decentralisatie,
onderwijshervormingen en
grondwetswijzigingen. Ook
zette men een programma op
ter verbetering van de
positie van de indiaanse
bevolking, o.a. door
tweetalig onderwijs toe te
staan. Het lukte hem echter
niet om nog een tweede
termijn aan de regering te
komen.
Op 6 augustus 1997 werd
ex-dictator Hugo Banzer
beëdigd als president. Hij
trok vooral veel kiezers die
hoopten dat met hem de
economische groei uit de
jaren ’70 weer zou
terugkeren. Tegenstanders
van Banzer waren
mensenrechtenactivisten die
vonden dat hij voor zijn
verleden moest boeten. Zij
waren ook bang dat het
militarisme weer zou
terugkomen. Een van zijn
eerst daden leek dat te
bevestigen: het vernietigen
van cocavelden met behulp
van het leger. Een van zijn
beloftes in de
verkiezingsstrijd was
namelijk dat alle illegale
cocavelden in vijf jaar tijd
vernietigd zouden worden. In
1998 werd er meer dan 11.000
ha vernietigd. Verder
profiteerde hij vooral van
het hervormingsprogramma van
zijn voorganger Sánchez de
Lozado.
In april 2000 waren er
gewelddadige protesten tegen
de voorgenomen privatisering
van de drinkwatervoorziening
waardoor de prijs van water
met 35% steeg. De situatie
liep zodanig uit de hand dat
de regering de noodtoestand
liet uitroepen. Op 27 juli
2001 trad president Banzer
vanwege gezondheidsproblemen
af. Hij werd opgevolgd door
vice-president Quiroga.
Na weken van sociale onrust,
die 60-80 mensen het leven
zou hebben gekost, trad
president Sánchez de Lozada
in oktober 2003 af. Als
nieuwe president werd
vice-president Carlos Mesa
benoemd. Sánchez de Lozada
week uit naar de Verenigde
Staten, die hem altijd
nadrukkelijk gesteund
hadden.
Begin juni 2005 kondigde
president Mesa verkiezingen
aan voor een constitutionele
raad die de grondwet moest
herzien. Ook zou er een
referendum komen over meer
autonomie voor de olierijke
provincias in het oosten en
zuiden van het land. Mesa
hoopte zo een einde te maken
aan de gewelddadige
protesten, de wegblokkades
en een 48-uursstaking die
het transport in het hele
land lamlegde. De betogers
eisten nationalisering van
de olie- en gaswinning.
Vooral de arme westelijke
provincies, waar veel arme
indianen wonen, wilden een
groter deel van de
opbrengsten.
De presidentsverkiezingen
van december 2005 werden
gewonnen door de linkse
'indígena' (inheemse
indiaan) Evo Morales Ayma.
Hij won met ruim 51% van de
stemmen en werd de eerste
indiaanse president van
Bolivia. De oude politieke
orde werd bij deze
verkiezingen door de kiezers
weggevaagd. er volgt een
periode van
nationationalisatie van
onder meer de gasindustrie.
In mei 2008 stemt morales
toe in een referwendum over
zijn leiderschap in
augustus, indien hij het
refendum verliest volgen
nieuwe verkiezingen.
Economie en Toerisme
Algemeen
Bolivia
heeft een gebrekkige
infrastructuur, geen uitgang
naar zee, een onevenwichtige
sociale structuur, slecht
opgeleid personeel en zowel
binnenlands als vanuit het
buitenland wordt er weinig
in het land geïnvesteerd en
dit zijn natuurlijk allemaal
belemmeringen voor de
economische ontwikkeling.
Gemeten naar het zeer lage
bruto nationaal product
(bnp) per hoofd van de
bevolking ($ 800 in 1997) is
Bolivia een van de armste
landen van Latijns- Amerika.
De buitenlandse schuld
bedroeg in 1999 $5,7
miljard. Tachtig procent van
de bevolking leeft onder de
armoedegrens en de
boerenbevolking op het
platteland zelfs 97%. Tot
het begin van de jaren
tachtig kende Bolivia een
periode van langzame
economische groei. Dit
leidde tot een hyperinflatie
(geldontwaarding) van meer
dan 11.000% in 1985!!.
Een streng bezuinigings- en
saneringsprogramma leidde
vanaf 1986 tot een geringere
inflatie van 7% in 1997,
maar ook tot een daling van
het levenspeil voor een
groot deel van de bevolking.
Tussen 1981 en 1988 daalde
het bnp per hoofd van de
bevolking met 26,3%. Verder
zijn er ook nog de illegale
inkomsten uit cocaïne, die
niet te verwaarlozen zijn,
integendeel. Men schat deze
inkomsten op ca. $600
miljoen per jaar en andere
lucratieve
smokkelactiviteiten worden
geschat op 15% van het bnp.
Door het verloren gaan van
veel arbeidsplaatsen in de
diverse economische sectoren
is de werkgelegenheid in de
informele sector enorm
toegenomen. Een groeiend
gedeelte van de bevolking
verdient geld met
straathandel, schoenen
poetsen, loten verkopen,
geld wisselen en taxi-rijden
met de eigen auto
De belangrijkste sectoren
zijn de handels-, transport-
en dienstensector. De
landbouw blijft hier ver bij
achter. Officieel is meer
dan 20% van de
beroepsbevolking werkloos,
maar in feite zal dit cijfer
veel hoger uitvallen door de
verborgen werkloosheid,
vooral op het platteland.
Men hoopt dat de economische
groei aantrekt door o.a. een
nieuwe pijplijn voor de
export van gas naar
Brazilië. Verder worden er
nog steeds nieuwe
aardgasvelden ontdekt. In
september 1998 keurden de
Wereldbank en het IMF een
pakket van
schuldkwijtschelding goed
ter hoogte van $760 miljoen.
Bolivia is daarmee het
tweede land dat kon
profiteren van een speciaal
programma voor lage-
inkomenslanden met hoge
schulden. Bolivia is sterk
afhankelijk van
ontwikkelingshulp. In 1997
ontving Bolivia $588 miljoen
aan ontwikkelingsgelden.
Landbouw, bosbouw en
visserij
Ongeveer
20% van het landoppervlak is
in beginsel geschikt voor
akkerbouw, maar hiervan is
slechts 3% in gebruik. In de
oostelijke laagvlaktes, met
name rond Santa Cruz, vinden
we grootschalige,
industriële
landbouwprojecten bedoeld om
de export te bevorderen.
Daar worden een half miljoen
hectares met sojabonen,
tarwe, gerst, maïs,
zonnebloemen, rijst,
suikerriet en katoen
verbouwd. De klimatologische
omstandigheden zijn daar zo
goed dat er twee keer
geoogst kan worden. Het lukt
echter nog niet om dit goed
van de grond te krijgen.
In de berggebieden en op de
hoogvlakte wordt veel voor
eigen gebruik geproduceerd.
Wat overblijft wordt
verhandeld of geruild.
Belangrijke agrarische
gebieden zijn: de Altiplano,
(aardappelen, quinoa, gerst
en bonen), de Yungas, de
noordoostelijke helling van
de Cordilleras (tarwe, maïs,
bananen, groenten,
citrusvruchten, koffie,
cacao en coca), de
oostelijke Llanos
(suikerriet, katoen en
rijst) en het tropisch
regenwoud (houtsoorten,
rubber en kinabast).
Vanaf de jaren zeventig is
de van oudsher door indianen
verbouwde coca het
belangrijkste landbouwgewas
geworden. Om in de
traditionele behoefte te
voorzien is de teelt van
coca toegestaan door de
regering. De productie van
coca overstijgt echter de
binnenlandse vraag vele
malen. Het overschot wordt
gebruikt om cocaïne te
maken. In 1984 werd naar
schatting 75% van de
cultuurgrond gebruikt voor
de verbouw van cocaplanten.
Ca. 300.000 mensen vinden
een bestaan door het
verbouwen van coca. De
illegale handel levert
ongeveer de helft op van
totale export. Toch kijkt
men naar andere manieren om
de coca te verbouwen, b.v.
als medicinaal product.
Ook probeert men de
cocaplantages te vervangen
door lucratieve
fruitplantages.
Sinds 1987 krijgt Bolivia van de Verenigde Staten financiële
steun om het areaal coca te
verminderen. Boeren die
hieraan meewerken worden
financieel gecompenseerd.De
landbouw staat over het
algemeen technologisch op
een laag peil en de sterke
versnippering van het
grondbezit, vooral op de
Altiplano en in de dalen,
vormt nog steeds een groot
probleem. Bovendien staan de
veelal gebrekkige
transportmogelijkheden, de
bodemerosie en de extreme
weersomstandigheden een
verdere ontwikkeling van de
landbouw in de weg. Toch
werkt in de landbouw ca. 45%
van de
beroepsbevolking.Veehouderij
wordt steeds belangrijker,
vooral de zuivelproductie in
de buurt van Cochabamba;
verder worden als lastdieren
en voor de wol schapen,
vicuña's en andere
kameelachtigen gehouden op
de Altiplano. Runderen en
varkens worden vooral
gehouden in de Llanos. Het
departement Beni spant met
zo’n 1,3 miljoen stuks vee
de kroon. Het grootste deel
van de vleesproductie is
bestemd voor de binnenlandse
markt, en dan vooral voor de
grote steden. In 1996
bestond de veestapel uit ca.
6 miljoen runderen, 300.000
paarden, 700.000 ezels en
muilezels, 2,5 miljoen
varkens, 8 miljoen schapen,
1,5 miljoen geiten en 59
miljoen kippen.
De bosbouw levert hardhout,
rubber en kina. Bossen
beslaan ca. 45% van het
totale landoppervlak. De
houtproductie bedroeg in
1997 ca. 2,3 miljoen m3.
Visserij op het
Titicaca-meer en enkele
andere meren en rivieren
levert een kleine bijdrage
aan het voedselpakket. In
1997 werd er in totaal meer
dan 6000 ton vis gevangen.
Zeevis wordt ingevoerd uit
Peru en Chili.
Mijnbouw
Traditioneel vormde de
mijnbouw de basis van de
Boliviaanse economie. Tot
1979 was Bolivia na Maleisië
de grootste tinproducent ter
wereld. Vanaf 1985 daalde de
wereldmarktprijs snel en
viel de tinproductie tot
eenderde terug. De
verouderde Boliviaanse
mijnen zijn door hun lage
productiviteit en het lage
tingehalte van het erts niet
langer rendabel te
exploiteren. Ook de
geïsoleerde ligging, het
gemis van een eigen haven en
de gecompliceerde winning
van mineralen en delfstoffen
zorgde er o.a. voor dat de
winning van zilver en tin
niet meer loonde. Vanaf 1985
zijn veel tinmijnen gesloten
of geprivatiseerd.
Privatiseren betekende in
dit geval dat een aantal
mijnwerkers voor eigen
rekening ging werken en zo
ontstonden er duizenden
kleine ondernemers die zich
met het winnen van tin,
zilver en goud gingen
bezighouden. Meer dan de
helft van de tinproductie is
afkomstig uit de mijnen ten
zuiden van Oruro; de mijn
van Catavi bij Llallagua is
nog steeds de grootste
tinmijn ter wereld.
Andere belangrijke minerale
delfstoffen zijn lood, zink,
koper, antimoon, goud,
zilver, wolfram en bismut.
De in 1952
opgerichte
staatsmaatschappij COMIBOL
exploiteerde tot halverwege
de jaren tachtig naast de
grootste tinmijnen de meeste
vindplaatsen van andere
minerale ertsen. De export
van vaste delfstoffen vormt
nog steeds de belangrijkste
bron van buitenlandse
deviezen. Hoewel de mijnbouw
nog steeds de ruggengraat
van de Boliviaanse economie
vormt, werkt slechts 5% van
de beroepsbevolking is de
mijnbouw.
Voorts is er winning van
aardolie en aardgas. De
belangrijkste aardolievelden
liggen in de omgeving van
Camiri en ten zuiden hiervan
tot aan de grens met
Argentinië. De
staatsoliemaatschappij YPFB
heeft alle aardoliewinning
onder haar beheer. De
belangrijkste winplaats van
aardgas ligt bij Yacuiba in
het zuiden van Bolivia. De
winning van aardolie is de
laatste jaren sterk
verminderd door uitputting
van de reserves. De
productie is daarom
nauwelijks voldoende om aan
het binnenlandse verbruik te
voldoen. De winning van
aardgas is succesvoller. De
helft van de jaarlijkse
productie van ca. 5 miljard
m3 wordt uitgevoerd via
pijpleidingen naar
Argentinië en Brazilië. In
1998 werden nieuwe grote
gasvelden ontdekt waardoor
Bolivia nog ten minste
gedurende twintig jaar gas
aan Brazilië zal kunnen
leveren. Begin jaren
negentig zorgde de export
van gas voor veel van de
Boliviaanse exportinkomsten.
Industrie
De
industrie is nog weinig
ontwikkeld, het is zelfs de
minst ontwikkelde van
Zuid-Amerika; de meeste
duurzame consumptiegoederen
moeten worden ingevoerd.
Door een gecoördineerd
industriebeleid in het kader
van het Andespact en door
nauwere samenwerking met
Brazilië probeert Bolivia
het nadeel van een kleine en
weinig koopkrachtige
binnenlandse markt te
compenseren.
De
belangrijkste industriële
activiteiten zij de drank-
en voedselindustrie,
smelterijen, metaalindustrie
en aardolieraffinaderijen.
De belangrijkste industriële
centra zijn La Paz, Oruro,
Santa Cruz en Cochabamba. De
behoorlijk grote
energiereserves in de vorm
van waterkracht worden nog
onvoldoende benut; in het
midden van de jaren negentig
was het geïnstalleerde
vermogen van de
elektriciteitscentrales
bijna 1000 megawatt.
Tweederde van de energie
wordt geleverd door
waterkrachtcentrales. Grote
delen van het land hebben
nog steeds geen aansluiting
op het lichtnet.
Handel
De export
bestaat voornamelijk uit
grondstoffen en wat
landbouwproducten. De
belangrijkste producten zijn
aardgas (12% van de totale
exportwaarde), delfstoffen
(48%), hout (3,4%) en koffie
(2,1%). De (illegale) export
van coca in 1995 werd
geschat op $600 miljoen, en
dat is ongeveer net zoveel
als de totale legale export.
De belangrijkste afnemers
zijn de Verenigde Staten
(vooral tin en andere
metalen), Argentinië (vooral
aardgas), Groot-Brittannië,
Peru en Colombia. De totale
export bedroeg in 1999 $1,1
miljard.
De invoer bestaat vooral uit
machines en andere
kapitaalgoederen, duurzame
consumptiegoederen,
grondstoffen en
halffabrikaten. In 1999 werd
er voor $1,6 miljard aan
goederen geïmporteerd. De
belangrijkste importpartners
zijn de Verenigde Staten,
Japan, Brazilië, Argentinië,
Chili en Peru. De import en
export van goederen gebeurt
grotendeels via de havens
van Arica en Antofagasta in
Chili, Mollendo-Matarani in
Peru en La Quiaca aan de
Boliviaans-Argentijnse
grens.
Verkeer en toerisme
De
gebrekkige
transportmogelijkheden
vormen een belangrijk
probleem bij de ontwikkeling
van Bolivia; in grote delen
van het land is het
traditionele vervoer per
muilezel of lama vaak de
enige mogelijkheid. Het
spoorwegnet - sinds 1964
door de staat geëxploiteerd
- bestaat uit twee
gescheiden netten, in totaal
bijna 3800 km lang, die
verbinding geven met havens
in Chili, Peru, Argentinië
en Brazilië. Het
“hoogland-systeem” is vooral
belangrijk voor het vervoer
van ertsen naar de kust van
de Stille Oceaan; het
“laagland-systeem” is zeer
belangrijk voor de
ontsluiting van de Oriente,
de tropische gebieden. Om
deze twee netten met elkaar
verbinden zou 480 km nieuwe
spoorwegen aangelegd moeten
worden. De kosten hiervan
bedragen $1,5 miljard, wat
natuurlijk veel te veel is
voor het arme Bolivia. Door
het verouderde spoorwegnet
zijn vertragingen van meer
dan 24 uur geen
uitzondering.
Van het ruim 41.000 km lange
wegennet is maar een kwart
onder alle
weersomstandigheden
bruikbaar. De belangrijkste
wegverbindingen zijn de weg
van Cochabamba naar Santa
Cruz en het maar
gedeeltelijk verharde deel
van de Panamerican Highway,
die naar de grens met
Argentinië loopt. In het
kader van de ontsluiting van
de tropische gebieden zijn
in de jaren zeventig veel
ontsluitingswegen aangelegd.
Men hoopt in 2010 elf
internationale snelwegen
gerealiseerd te hebben. Er
is verder een zeer
uitgebreid net van
autobusdiensten.
Bolivia was een van de
eerste landen in
Latijns-Amerika waar het
vliegtuig een belangrijk
verkeersmiddel werd. De
nationale
luchtvaartmaatschappij Lloyd
Aéreo Boliviano (LAB)
verzorgt meer dan 40% van de
binnenlandse vluchten. Het
overige deel van de markt
wordt bediend door een reeks
van kleine
vliegtuigmaatschappijtjes.
De internationale luchthaven
van La Paz (El Alto) is de
hoogstgelegen
burgerluchthaven ter wereld
(4085 m). Ook Santa Cruz
heeft een internationale
luchthaven.
Binnenscheepvaart op het
Titicaca-meer is van
betekenis voor de verbinding
met Peru. Ongeveer 14.000 km
bevaarbare rivieren
verbinden het noorden en het
oosten van Bolivia met de
Amazone. De belangrijkste
rivieren zijn Madre de Dios,
Beni, Mamoré, Guaporé,
Pilcomayo en Desaguadero.
Zeehavens mag Bolivia
gebruiken in Argentinië en
Peru. Pijpleidingen zijn van
groot belang voor het
vervoer van aardolie en
aardgas.
Hoewel het aantal toeristen
gestaag toeneemt (in 1997
ca. 375.000) zijn de
inkomsten daaruit nog niet
van groot belang voor de
Boliviaanse economie.
De totale inkomsten uit het
toerisme bedroegen dat jaar
$180 miljoen.
Men
hoopt het aantal toeristen
en de inkomsten uit het
toerisme binnen enkele jaren
op zijn minst te
verdubbelen.
Bevolking
Bolivia telde in 2000 ca. 8.150.000 inwoners. Gemiddeld wonen er
ca. 7,5 inwoners per km2.
Driekwart van de bevolking
leeft in de steden en in de
valleien van het
Andesgebergte. Ca. 56% van
de bevolking bestaat uit
indianen, ca. 30% uit
mestiezen van
indiaans/blanke afkomst, ca.
10% van (meest Spaanse)
blanke afkomst en ca. 4%
zijn negers en van
Aziatische afkomst. 60%
woont in de steden, 20% meer
dan in 1976, dus de
verstedelijking neemt in
snel tempo toe. De grootste
steden zijn La Paz (ca.
785.000 inwoners), Santa
Cruz ( ca. 767.000),
Cochabamba (ca. 449.000), El
Alto (ca. 446.000), Orura (ca.
202.000), de hoofdstad Sucre
(ca. 145.000) en Potosí (ca.
123.000). El Alto, een
voorstad van La Paz, is de
snelst groeiende stad van
Bolivia. De samenstelling
van de bevolking verschilt
van plaats tot plaats: in La
Paz is de helft van de
bevolking indiaans en de
bevolking van Santa Cruz
bestaat voor driekwart uit
mestiezen en Europeanen. De
gemiddelde levensverwachting
in Bolivia is ca. 64 jaar.
41,2% van de bevolking is
jonger dan 15 jaar; slechts
4,3% is 65 jaar of ouder.
Helaas heeft Bolivia de
hoogste zuigelingensterfte
van Zuid-Amerika; per 1000
levend geboren kinderen
stierven er in 2000 in het
eerste levensjaar 63,7
kinderen. De bevolkingsgroei
bedroeg in 2000 1,83%. De
gemiddelde levensverwachting
is 63,7 jaar. De Quechua- en
de Aymará- indianen zijn het
grootst in aantal. Er leven
ca. 2,5 miljoen Quechua en
ca. 2 miljoen Aymará in
Bolivia. De Aymará leven
rond het Titicaca-meer en
rond La Paz. De Quechua
wonen met name in de overige
gedeelten van het
Andesgebergte. In de
laaglanden leven veel
kleinere indianenstammen
zoals de Baures en Moxo-
indianen. Een bekende stam
zijn de Guaraní die in het
zuiden van Bolivia leven.
Nog maar ca. 30.000 indianen
leven zoals ze altijd
geleefd hebben, de rest is
al beïnvloed door de
westerse leefwijzen.
Nomadische groepen worden
bedreigd door houtkap,
ziektes en kolonisatie van
hun leefgebied. In totaal
leven er 32 indiaanse
volkeren in Bolivia. Tot de
revolutie in 1952 was er nog
een strenge rassenscheiding
in Bolivia in bepaalde
openbare gelegenheden en
stadsdelen. De armoede is
zowel op het platteland als
in de steden onder de
indianen het grootst, hoewel
de steeds groter wordende
groep stedelijke indianen (cholos)
het aanzienlijk beter heeft
dan de indianen op het
platteland. Mestiezen vormen
vaak de middenstand en de
hogere functies worden vaak
door de blanken bekleed. De
negers in Bolivia stammen
rechtstreeks af van de
slaven die eeuwen geleden
uit Afrika gehaald werden.
Nazaten van gevluchte
Japanse immigranten na de
Tweede Wereldoorlog leven
voornamelijk in het
departement Santa Cruz.
Taal
De officiële taal is het
Spaans maar het
Zuid-Amerikaanse Spaans dat
in Bolivia gesproken wordt
is qua zinsconstructie en
uitspraak afwijkend van het
Spaans in Spanje.
Typisch voor het Boliviaans
is het veelvuldig gebruik
van verkleinwoorden. Verder
zijn er per streek nog
dialectische verschillen.
45% van de bevolking spreekt
alleen Spaans. Bijna de
helft van de bevolking
spreekt naast Spaans nog een
van de twee grote
indianentalen: het Quechua
of het Aymará. Met name op
het platteland wordt door de
oudere Bolivianen een van
deze twee talen gesproken.
Een en ander is ook het
gevolg van het gebrekkige
onderwijs. Het Quechua was
de taal van de vroegere
Inca-overheersers en wordt
nog steeds in alle
Andeslanden gesproken, met
name in Bolivia en Peru. In
alle landen hebben zich
echter verschillende
dialecten ontwikkeld.
De invloed van het Spaans is
groot, want veel
Quechua-woorden worden op
z’n Spaans uitgesproken. Het
Aymará wordt met name rond
La Paz en het Titicaca-meer
gesproken door ca. 2 miljoen
indianen.
De Aymará-indianen
zijn afstammelingen van de
Tiwanaku-cultuur die in
tegenstelling tot de Quechua
hun identiteit wisten te
bewaren tijdens de
Inca-overheersing. Verder
bestaan er nog vele
indianentalen, o.a. het
Guarani dat nog vrij veel
gesproken wordt.
Het Engels is nog niet erg
bekend en wordt nog maar op
weinig plaatsen gesproken.
Het Spaans en de
indianentalen Aymará en
Quechua verschillen
natuurlijk enorm.
Maar ook de tussen deze twee
indianentalen onderling
komen grote verschillen
voor.
Sinds het begin van de twintigste eeuw is er godsdienstvrijheid,
maar pas in 1961 werd de
kerk officieel gescheiden
van de staat. Ongeveer 95%
van de bevolking is
rooms-katholiek en ongeveer
1% is protestant. De
indianen vermengden het
eigen traditionele
pre-Columbiaanse rituelen
met het rooms- katholieke
geloof. De godsdienstige
invloed van het katholicisme
op het dagelijks leven is
nog steeds groot, maar de
vroegere belangrijke rol in
het politieke leven is
grotendeels verdwenen. Naast
het katholicisme en het
protestantisme komen er nog
tientallen andere
geloofsbewegingen en sektes
voor in Bolivia. In 1994
waren er 64 verschillende
stromingen en sektes actief.
De Bahai is de grootste
groep en verder nog o.a.
mormonen, baptisten en
Jehova’s. Naast het
christelijke geloof en de
sektes bestaat er nog steeds
het traditionele geloof,
hoewel deze twee vaak met
elkaar verweven zijn. Ook
animistische trekjes komen
nog steeds voor en met name
aan natuurverschijnselen
worden mysterieuze krachten
toegekend. Zo wordt Maria
geïdentificeerd met
Pachamama, de godin Moeder
Aarde. De curandero of
yatiri is een medicijnman
die nog steeds een grote rol
speelt in het leven van de
Boliviaan. Met behulp van
kruiden, mineralen en magie
kan hij o.a. zieken genezen
en voorspellingen doen.
De eerste Boliviaanse grondwet dateert al van 1826, nadat het
land een jaar eerder
onafhankelijk van Spanje was
geworden. Hoewel Sucre de
officiële hoofdstad is van
Bolivia, is La Paz de
administratieve hoofdstad en
ook de regering zetelt hier.
De uitvoerende macht in
Bolivia’s politieke systeem
ligt bij de president die
samen met de vice-president
elke vijf jaar door het volk
gekozen wordt. Na afloop van
zijn ambtstermijn is hij
niet direct herkiesbaar. De
president benoemt de raad
van ministers. De wetgevende
macht (Congreso Nacional) is
verdeeld in twee kamers: de
Senaat (Senado) en de Kamer
van Afgevaardigden (Cámara
de Deputados). Het hogerhuis
of de Senaat bestaat uit 27
senatoren, drie uit elk
departement, die elk voor
vijf jaar gekozen worden.
Het lagerhuis of de Kamer
van Afgevaardigden bestaat
uit 130 leden die ook voor
vijf jaar gekozen worden.
Er bestaat algemeen
kiesrecht voor mannen en
vrouwen vanaf 18 jaar.
Volgens de herziene grondwet
van 1995 wordt 50% van de
leden gekozen via
partijlijsten terwijl de
andere helft een bepaald
district vertegenwoordigen.
Bolivia is verdeeld in de
negen administratieve
departementen La Paz,
Cochabamba, Potosí, Santa
Cruz, Chuquisaca, Tarija,
Oruro, Beni en Pando. Elk
departement is weer
onderverdeeld in ca. 112
provincies waarvan het
bestuur de inkomsten en
uitgaven controleert. De
provincies zijn weer
onderverdeeld in ca. 1384
kantons en worden bestuurd
door een prefect, een
subprefect en een zogenaamde
“corregidor”. In de
hoofdsteden van de
departementen en de
provincies vormen gekozen
colleges het lokale bestuur.
In enkele gebieden is de
Indiaanse bevolking nog op
traditionele wijze in
ayllu's (gemeenschappen)
georganiseerd. Indianen zijn
pas sinds kort in het
nationale parlement
vertegenwoordigd.
Onderwijs
Basisonderwijs is gratis en
verplicht voor alle kinderen
tussen de zes en de veertien
jaar. Recente tellingen
wezen uit dat er ongeveer
2300 kleuterscholen en
ongeveer 13.000 basisscholen
zijn. Er gingen bijna 1,3
miljoen kinderen naar de
basisschool en bijna 220.000
naar het voortgezet
onderwijs. Hoger onderwijs
werd gevolgd door ca.
140.000 studenten. Er zijn
universiteiten in La Paz,
Sucre, Cochabamba, Oruro,
Potosí, Santa Cruz en Tarija.
De oudste universiteit van
Zuid-Amerika is de San
Francisco Xavier in Sucre,
gesticht in 1624. De
Universiteit van San Andrés
in La Paz is de grootste van
het land met meer dan 35.000
studenten.
Veel hoog opgeleiden
verlaten na het behalen van
hun diploma Bolivia en gaan
werken in Argentinië of
Chili waar veel meer betaald
wordt. Engels wordt op
middelbare scholen als
onderdeel van het
vakkenpakket onderwezen.
Door de regering wordt het
onderwijs gelukkig als
essentieel beschouwd voor de
sociale en economische
ontwikkeling van Bolivia.
Eind jaren tachtig kon een
derde van de bevolking ouder
dan 15 jaar niet lezen of
schrijven. Tien jaar later
was dat percentage gedaald
tot 20%. Begin jaren vijftig
ging maar ongeveer 15% van
de kinderen naar school. Nu
gaat ongeveer 90% van de
kinderen naar het
basisonderwijs, maar velen
haken onderweg toch nog af.
In sommige dorpen ontbreekt
zelfs nog enige vorm van
onderwijs en met name op het
platteland moeten kinderen
al op jonge leeftijd helpen
in de landbouw en verlaten
dan de school.
|