|
Peru en Bolivia 25 dagen |
| |
|
Vanaf
slechts € 1469,00 |
| |
.
|
  |
| |
|
|
|
|
|
Peru
(officieel: República del Perú), is
een republiek in Zuid-Amerika. De totale oppervlakte
van Peru is 1.285.216 km2, inclusief 4997 km2 van
het Peruaanse deel van het Titicacameer en exclusief
95 km2 van de eilanden in de Grote Oceaan. Peru komt
wat grootte betreft in Zuid-Amerika op de derde
plaats, achter Brazilië en Argentinië. Het land is
ongeveer 35 keer zo groot als Nederland. Peru ligt
langs de kust van de Stille Oceaan (2400 km lange
kustlijn) en wordt begrensd door Colombia (1496 km)
en Ecuador (1420 km) in het noorden, Brazilië (1560
km) in het oosten en door Bolivia (900 km) en Chili
(160 km) in het zuiden.
Landschap
Van west naar oost kunnen drie gebieden worden
onderscheiden: de Costa, de Sierra en de Selva.
De Costa omvat het voornamelijk
woestijnachtige gebied langs de steile kust tussen
de Grote Oceaan en de westelijke berghellingen van
de Andes (ca. 11% van de totale oppervlakte van
Peru). Deze 2400 kilometer lange kuststrook is een
van de droogste gebieden op aarde; in sommige
gebieden regent het maar een keer per twee jaar.
Samen met de Atacama-woestijn in Chili vormt het een
van de grootste woestijngebieden ter wereld.
De kustvlakte is alleen in het noorden (zandwoestijn
van Sechura) tot 160 kilometer breed; zuidwaarts
varieert de breedte van 30 tot 100 km. Het landschap
bestaat deels uit vlakten en zandduinen, deels uit
heuvelland dat langzaam overloopt in het
Andesgebergte.
De Sierra omvat het Andesgebied,
bestaande uit twee grote van noord naar zuide
lopende ketens, de Cordillera Occidental en de
Cordillera Oriental. Het gebergte beslaat ongeveer
een derde van het land en de breedte varieert van
240 tot 400 kilometer.
In het noorden van het land liggen deze ketens dicht
bij elkaar, maar in Zuid-Peru is deze afstand groot
en hier ligt de Altiplano, een grote hoogvlakte die
terrasgewijs afloopt naar het Titicacameer en een
gemiddelde hoogte heeft van zo‘n 4000 meter. De
hoogvlakte loopt door tot Zuid-Bolivia en ten westen
van het meer loopt de Cordillera Marítima af naar de
kust, met hoge vulkanen zoals de Misti (5822 meter)
bij Arequipa.
De Cordillera Occidental is een vrijwel
aaneengesloten keten. Het hoogste gedeelte bereikt
deze keten in de Cordillera Blanca, een
ononderbroken en sterk vergletsjerde keten met 29
bergen boven de 6000 meter, waarvan de Huascarán Sur
met 6768 meter de hoogste berg van Peru is. In de
Cordillera Blanca ligt ook de tweede berg van Peru,
de 6655 meter hoge Huascarán Norte. De Cordillera
Oriental wordt onderbroken door een aantal grote
dwarsdalen, die quebrada’s genoemd worden.
Dat de Andes ooit op zeeniveau heeft gelegen wordt
bewezen door de vondst van fossielen en schelpen op
5000 meter hoogte.Door het op elkaar botsen van de
continentale platen is de Andes ontstaan, en dit
proces is nog steeds gaande. Hierdoor is er nog veel
vulkanische activiteit waar te nemen en komen er nog
regelmatig aardbevingen voor. Actief vulkanisme komt
alleen nog in de omgeving van Arequipa en verder
zuidwaarts voor. In het noorden en midden van de
Peruaanse Andes zijn alle vulkanen gedoofd.
Ten noordwesten van Arequipa ligt de Cañón del Colca,
met een diepte van 3182 meter, een van de diepste
ravijnen ter wereld.
De Selva
omvat het gebied ten oosten van het Andesgebergte,
en kan worden onderverdeeld in de Selva Alta (Hoge
Selva) of Montaña, de oostelijke zeer sterk
versneden Andeshellingen, zodat een landschap van
scherpe bergkammen tussen diepe dalen ontstaan is,
en de Selva Baja (Lage Selva), de Amazonelaagvlakte.
Dit tropische laagland beslaat meer dan de helft van
het Peruaanse grondgebied. De ligging van Peru aan
de rand van een tektonisch actief gebied is de
oorzaak van het optreden van vulkanische
verschijnselen en aardbevingen.
In Zuid-Peru zijn nog enkele vulkanen actief, o.a.
El Misti (5835 m). De zwaarste aardbeving sinds
eeuwen heeft zich op 31 mei 1970 voorgedaan in
Midden-Peru, waarbij grote verwoestingen werden
aangericht in het dal van de Río Santa (Huaylasvallei)
en de steden Huaráz en Yungay van de aardbodem
werden weggevaagd.
Rivieren en meren
In Peru ontstaat de machtige Amazone-rivier, hoewel
over de precieze oorsprong nog altijd getwist wordt.
Gemeten vanaf Peru tot aan de monding is de lengte
van de Amazone ca. 6400 kilometer. Het stroomgebied
strekt zich uit over een oppervlakte van zes miljoen
vierkante kilometer. Door het tropische laagland van
Peru (selva) meanderen meer dan vijfhonderd rivieren
die allemaal uitkomen in de Amazone-rivier.
Belangrijk zijn de grote brontakken van de Amazone,
die hoog tussen de Andesketens ontstaan, de Río
Marañón, Río Huallaga en Río Ucayali met Río
Apurímac en Río Urubamba. In Zuid-Peru ontspringt op
de oosthelling van de Cordillera Oriental de Madre
de Dios, die oostwaarts via de Madeira naar de
Amazone stroomt. De rivieren aan de westkust zijn,
uitgezonderd de Río Santa, van weinig belang,
doordat ze slechts een deel van het jaar water
bevatten. De zuidwaarts stromende Río Ramis is de
belangrijkste bronrivier van het Titicaca-meer, op
3812 m hoogte het hoogstgelegen bevaarbare meer ter
wereld, waarvan 4996 km2 (totaal 8300 km2) tot Peru
behoort. Het water van het meer komt verder uit vele
riviertjes die regen- en smeltwater uit de Andes
aanvoeren. Dwars door het meer loopt de grens met
Bolivia.
Nog enkele gegevens:
Lengte: ca. 175 kilometer
Breedte: ca. 50 kilometer
Gemiddelde diepte: 100 meter
Grootst gemeten diepte: 283 meter
Watertemperatuur: vrij constant 13°C
Aantal eilanden in het meer: ca. 30
Klimaat
Het laagland
ligt geheel in het gebied van het tropische
regenklimaat. De temperaturen en de regenval zijn
overal hoog, vooral in het noordoosten. Zo heeft
Iquitos een gemiddelde temperatuur 32°C en er valt
bijna 3000 mm neerslag per jaar. De natste plaatsen
van Peru liggen op de oostelijke hellingen. De
regentijd duurt van januari tot april, en
overstromingen en aardverschuivingen zijn dan geen
zeldzaamheid. Gedurende de droge tijd (mei-oktober)
regent het soms weken achter elkaar niet. In de
zuidelijke regenwouden komen onverwachte koufronten
uit het zuiden voor, die ‘friajes’ worden genoemd.
Ze veroorzaken winderige, regenachtige dagen met
dagtemperaturen van 13°-18°C en nachttemperaturen
tot 10°C.
Geheel anders is het klimaat in de bergen en op
de Altiplano, de hoogvlakte. Hier heerst, al
naar gelang de hoogte en de ligging een gematigd tot
zelfs een arctisch klimaat. De gematigde streken
zijn soms regenrijk, soms droog. De droogste tijd in
de bergen ligt tussen mei en oktober, maar in de
maanden juni tot augustus zijn er af en toe ‘nevada’s’,
met sneeuwval op de toppen en hagel of regen in de
dalen. Rond de 4700 meter hoogte variëren de
temperaturen van 20°C overdag tot -15°C ’s nachts.
In de regentijd (oktober-april)
ontvangen de oostelijke hellingen onder invloed van
de passaat nog veel neerslag. De hoogvlakte en de
lengtedalen liggen echter in de regenschaduw van de
hoge Cordillera's. Op de zuidelijke hoogvlakten
komen aanzienlijke temperatuurverschillen tussen dag
en nacht voor en hier lijkt een toendraklimaat te
heersen. De sneeuwgrens ligt in de Cordillera Blanca
meestal iets onder de 5000 meter. In verder naar het
zuiden en verder landinwaarts gelegen delen van de
Andes schuift deze op tot wel 6000 meter.
De westkust is droog. De zuidoostpassaat
waait hier van zuid naar noord parallel aan de kust,
maar heeft onder invloed van de koude Peru- of
Humboldtstroom en de felle tropenzon een geringe
vochtigheid, zodat bij stijging voor de kust alleen
nevel en motregen (garúa of camanchaca) worden
gevormd. Door de koude Perustroom, met water uit het
zuidpoolgebied, zijn de temperaturen aan de kust ca.
5 °C lager dan die op dezelfde hoogte aan de
Atlantische kust van Zuid-Amerika. Vooral de
hoofdstad Lima heeft er in de maanden april-november
veel last van. Augustus heeft dan temperaturen
tussen 13-17°C, terwijl de temperatuur normaal
gesproken schommelt tussen 20°-26°C. De jaarlijkse
neerslag bij Lima is gemiddeld 34 mm; vaak valt er
jaren achtereen geen neerslag. De droge tijd wordt
eens in de zoveel jaar onderbroken door El Niño, een
van de evenaar afkomstige warme stroom. Meestal
gebeurt dit in de maand december en in 1998 richtte
El Niño zeer veel schade aan in met name Noord-Peru.
Talloze dorpen kregen te maken met zware
overstromingen en modderstromen. In het El
Niño-seizoen 1982/1983 ontving Lima meer dan 1000 mm
neerslag!
Planten en dieren
Planten
De woestijnachtige kuststrook is op sommige plaatsen
vrijwel onbegroeid, op andere plaatsen bestaat de
begroeiing slechts uit wat struikjes en lage,
doornige bomen als de algorobo, een acaciasoort. Wat
verder landinwaarts neemt de vegetatie toe met veel
cactussen, vetplanten en epyfieten die zich aan
rotsen en andere planten hechten. Enkele voorbeelden
zijn bromelia’s, orchideeën en tillandsia’s. Als de
zeemist enkele maanden boven de kuststrook hangt
leeft de woestijnbegroeiing op en zijn er
kortstondig bolgewassen als lelies en begonia’s te
zien.
In het uiterste noorden van het Peruaanse kustgebied
komen mangrovebossen voor.
In de vrij droge valleien van de Andes groeien onder
meer agaves, bromelia’s en cactussen, zoals de
kandelaarcactus en de meloencactus. De vochtiger
dalen hebben een gevarieerde vegetatie, waaronder
verschillende soorten orchideeën en bromelia’s. Op
4500 meter hoogte groeit de zeldzame reuzenbromelia
Puya raimondi, met een recordstengel van wel tien
meter waaraan zo’n 20.000 bloemen eenmalig bloeien
waarna ze sterft. Tot 5000 meter komt een van de
hoogst groeiende bomen voor, de qeñoa of
polylepisboom, samen met grote lupines en de
rimarina, een beschermde ranonkelsoort. Bijzonder
zijn ook de yaretas, mossen die dicht op elkaar
groeien in bolvormige structuren, o.a. d zeldzame
azorella-kussens. In de Andes zijn ook vele soorten
maïs en aardappelen te vinden. Van de maïs kennen we
49 soorten, van de aardappel zijn honderden wilde en
gekweekte soorten bekend. De boomgrens ligt in Peru
rond de 3500 tot 4000 meter. De vegetaties tussen de
boom- en sneeuwgrens worden, afhankelijk van de
hoeveelheid neerslag, paramo of puna genoemd.
Punavegatatie bestaat uit grassen, (korst)mossen en
wat kruiden en struiken. In het natte noorden van de
Peruaanse Andes groeien de paramovegetaties, naast
grassen groeien hier ook mossen, varens, kruiden en
struiken. Bekende planten zijn hier de
bergbromelia’s of puya’s.
De dichtbegroeide nevelwouden liggen op de steile en
vochtige hellingen aan de oostkant van de Andes. In
dit ‘Ceja de la Montaña is het vaak nevelig en valt
veel neerslag.
Op de bomen van het nevelwoud groeien vele soorten
mossen, varens, orchideeën en bromelia’s; aan de
takken hangen lange baardmossen. Op de grond groeien
fuchsia’s, begonia’s, bomarea’s en
pantoffelplantjes. Daar tussendoor staan metershoge
boomvarens en bergbamboe.
Het nevelwoud gaat langzaam over in
het de tropische regenwouden van het Amazonegebied.
Hier komen onder andere ca. 2500 soorten loofbomen,
waaronder 80 soorten palmen. De grootste bomen
bereiken een hoogte van 60-70 meter en hebben vaak
enorme plankwortels om zich staande te houden. De
kronen van deze bomen kunnen wel een doorsnede
hebben van 30 meter, en bestaan vaak uit kleine,
dikke, leerachtige bladeren. Tegen de stammen van
deze woudreuzen groeien lianen, epyfieten en
parasieten. Onder de bomen groeien vele struiken,
varens, en bladplanten als de opvallende heliconia,
de aronskelk en wilde gembers. Orchideeën groeien
vaak net onder de bladerkroon van de hoge bomen.
Enkele typische cultuurgewassen voor de Andes zijn
de yuca en de rubberboom.
Dieren
Zoogdieren
De rode brulaap is een zeer luidruchtige bewoner van
het Peruaanse regenwoud, die in groepen van ca. 15
exemplaren boven in de bomen leeft. De zwarte
slingeraap beweegt zich met grote snelheid door het
bladerdak van het oerwoud. Kapucijnapen zijn zeer
intelligent; er zijn twee soorten, de bruine
kapucijnaap en de witkopkapucijnaap. In de buurt van
de kapucijnapen leven ook vaak grote groepen kleine
doodshoofdaapjes, vaak in de onderste laag van de
vegetatie. Vanwege het vlees wordt er veel op
wolapen gejaagd; de meest algemene soort in Peru is
de grijze wolaap. Het nachtaapje is het enige
nachtdier onder de Zuid-Amerikaanse apen. De kleine
klauw- of dwergaapjes wegen vaak niet meer dan een
halve kilo, onder andere penseelaapjes, zijdeaapjes
en leeuwaapjes. De zadelrugtamarin komt het meest
voor in Peru
De tandarme zoogdieren behoren tot de meest
karakteristieke zoogdieren van Zuid-Amerika.
Gordeldieren beschermen zichzelf tegen roofdieren
door hun benige schild. In de regenwouden van het
laagland leeft het reuzengordeldier. De drie
Latijns-Amerikaanse miereneters komen allen voor in
Peru. De meest algemene is de tamandua, zeldzaam
zijn de reuzenmiereneter en de dwergmiereneter. In
het bladerdak leven de op de kop aan takken hangende
trage tweeteenluiaard en de drieteenluiaard.
In de meest ontoegankelijke wouden en moerassen
leeft het bekendste en de grootste katachtige van
Zuid-Amerika, de jaguar. De poema of bergleeuw komt
tot op zeer grote hoogte voor. Andere Peruaanse
katachtigen zijn de jaguaroundi, de ocelot, de
tijgerkat en de margay. De pampaskat is een typisch
dier van de bergvalleien, de Andes-kat is zeer
zeldzaam en komt alleen voor in de zuidelijke
hooglanden. De reuzenotter kan inclusief een 70
centimeter lange staart bijna 2 meter lang worden.
In Peru leven nog maar enkele tientallen exemplaren.
De zwarte brilbeer, de enige berensoort van
Zuid-Amerika, is zeer zeldzaam en komt alleen nog
maar voor op de oostelijke hellingen van de Andes.
Het stinkdier komt voor tot op 4100 meter hoogte,
van de kust tot in het nevelwoud aan de oostkant van
de Andes. De Andes-vos komt in het hele Andesgebied
voor en staat iets hoger op de poten dan zijn
Europese en Amerikaanse tegenhangers. De Andes-wezel
valt prooidieren aan die twee keer zo groot als
hijzelf.
Van de vier soorten kameelachtigen leven alleen de
vicuña en de guanaco nog in het wild; de lama en de
alpaca zijn al duizenden jaren geleden
gedomesticeerd door de hooglandindianen van Peru. De
vicuña leeft tot op zeer grote hoogte in Zuid-Peru;
de guanaco komt nog maar zelden voor in het
Peruaanse hoogland.
Tot de knaagdieren behoren de agouti, de
bergvizcacha (grote chinchillasoort) en de paca, na
de capibara of waterzwijn, het grootste knaagdier
ter wereld. Een veel voorkomend diertje is de wilde
cavia of ‘cuy’. Tot de hoefdieren behoren
borstelzwijnen als de kraagpecari en witlippecari,
en verder de tapir, het grootste zoogdier van Peru.
Typische bosdieren zijn neusbeertjes of tejón. Het
reservaat Santuario Nacional de las Pampas del Heath
langs de Boliviaanse grens is de enige plaats in
Peru waar het moerashert rondloopt.
Twee andere hertensoorten komen vrij
veel voor, het witstaarthert en de ‘taruka’, bijna
uitgestorven en levend op extreme hoogtes. In het
nevelwoud leven twee kleine soorten herten, het
dwergspieshert en de roodkleurige Pudua humilis.
Vogels
In Peru komen ongeveer 1800 vogelsoorten voor. De
indrukwekkendste roofvogel van Peru, en tevens de
grootste roofvogel op aarde, is de Andescondor met
een spanwijdte van ca. drie meter. Verwanten van
deze gigant zijn de zwarte gier, de koningsgier en
de kalkoengier. Een opvallende roofvogel is de
bergcaracara, een zwart witte vogel met en rood,
kaal gezicht. De zwaluwstaartwouw komt voor van het
Andesgebied tot aan het hooggebergte.
De nationale vogel van Peru is de rode rotshaan, die
leeft in de nevelwouden op de hellingen van de
Andes. Andere bewoners van het nevelwoud zijn de
groene gaai, de gekraagde gaai, de vetvogel en het
Andes-sjakohoen, een grote bosvogel die voornamelijk
in de bomen leeft.
Twee grote toekansoorten zijn de Cuviers toekan en
de smaragdarasari’s. De grootste papegaaien van Peru
zijn de vele soorten ara’s, onder andere de
blauwgele ara, de roodgroene ara, de geelvleugelara,
de rode ara en de groenvleugelara. Kleinere
papegaaien zijn de blauwkoppapegaai, grote amazone
en witoogaratinga.
Kolibries komen alleen op de Amerikaanse continenten
voor. In Peru leven ongeveer vijftig soorten die
zowel in het laagland als op de hoogste toppen van
de Andes leven. De oasekolibrie leeft in de oases
langs de kust, de gekraagde inca leeft in het
nevelwoudgebied.
In de lagunes en langs rivieren leven grote
steltlopers als de grote zilverreiger, witnekreiger,
koereiger, schimmelkopooievaar, roze lepelaar en de
grote, maar zeldzame jabiru. Diep in het woud langs
de waterkant leven vijf soorten ijsvogels, onder
andere de grote geringde ijsvogel en de kleine
pygmee-ijsvogel.
De zangvogelorde van Peru bestaat uit meer dan
twintig families en honderden soorten, zoals
boomklevers, ovenvogels, mierenvogels, mannequins,
vliegenvangers, zwaluwen, gaaien, winterkoninkjes,
spotvogels, merels, wevervogels, tangaren, vinken en
mussen.
Rond de bergmeren en in de moerassige dalen leeft de
geelvleugelmerel en op 4000 meter hoogte leven onder
andere de reuze Andeskoet, blauwsnaveleenden, futen,
ralreigers, Andesmeeuwen, de donkere puna ibis en
zwarte Andesganzen. De mierenetende grondspecht
leeft op de boomloze puna’s. Oropendula’s zijn
troepialen, die veel voorkomen in de gehele
tropische laagvlakte en tot 2000 meter hoogte in het
nevelwoud. De bijzondere hoatzin is een grote
hoenderachtige. De kustwoestijn herbergt een
gespecialiseerde fauna, waaronder een in holen in de
grond broedend uiltje.
Opmerkelijke Amazone-vogels zijn de goudkopquetzal,
paradijstanga, witvleugeltrompetvogel, jacana,
harpij, bonte kuifarend, zwarthalscotinga,
tijgerroerdomp, draadmanneke en Amerikaanse jassana.
Reptielen en amfibieen
De grootste slang van Peru is de anaconda, die wel
acht meter lang kan worden. Een andere grote
wurgslang is de boa constrictor. De Peruaanse
gifslangen zijn grofweg te verdelen in
groefkopadders als de lanspuntslang of fer-de-lance
en de bontgekleurde giftige koraalslangen.
De meest algemene krokodilachtige van Peru is de
brilkaaiman en de twee keer zo grote, maar zeldzame
zwarte kaaiman. De arrau is de grootste
rivierschildpad van Peru en de terekay is een
kleinere variant. Er leven vele soorten kikkers in
Peru, waarvan de kleurige gifpijlkikkers de
opvallendste zijn.
Insecten
In het oerwoud van Peru leven honderdduizenden
soorten insecten. De meeste opvallende zijn
wandelende takken, wandelende bladeren,
lantaarnvliegen, termieten en parasolmieren.
Vissen
Een van de grootste vissen van het Amazonegebied is
de zwartwitte meerval surubí. Piranha’s zijn
roofvissen die zelfs voor de mens gevaarlijk kunnen
zijn. Ongevaarlijk maar wel nieuwsgierig zijn de
zoetwaterdolfijnen. De ‘paiche’ is een primitieve
vissoort die een lengte van twee meter kan bereiken
en een gewicht van meer dan 80 kilo.
Reservaten
Bij de West-Peruaanse stad Pisco ligt het Reserva
Natural Paracas, dat bestaat uit een schiereiland
langs de woestijnkust. Voor de kust liggen de Islas
Ballestas waar vele zeevogels voorkomen, zoals de
bruine pelikaan, de Humboldtpinguïn, de grijze
meeuw, de Amerikaanse scholekster, de zwarte
scholekster, de Inca-stern, de fregatvogel, de
roodpootaalscholver, de Humboldtgent en de
Humboldtaalscholver. In mei en juni is de Chileense
flamingo hier te vinden. Verder leven hier ca.
25.000 zeeleeuwen en zeeberen. In 1988 maakten
Peruaanse wetenschappers melding van een nieuwe
walvissoort, de mesplodon peruvianus, met maximaal
vier meter lengte een van de kleinste
vertegenwoordigers van de walvissenfamilie.
Geschiedenis
Prehistorie
Vanaf 10.000 jaar vóór het begin van onze
jaartelling ontstonden de pre-Columbiaanse culturen
in Peru. De overblijfselen daarvan zijn te vinden in
de kuststrook, het Andesgebergte en in het
Amazonegebied. Aan de andere kant bestaan er ook nog
veel onduidelijkheden over de meest recente
pre-Columbiaanse culturen. De eerste bewoners van
het gehele continent Amerika zijn zeer
waarschijnlijk aan het einde van de laatste ijstijd,
ca. 12.000 jaar geleden, over een smalle ijsbrug van
Azië naar Noord-Amerika getrokken. In een paar
eeuwen tijd zijn deze nomadisch levende stammen van
noord naar zuid getrokken, tot aan Vuurland in het
uiterste zuiden van Zuid-Amerika. Een andere theorie
is dat deze mensen niet over land, maar over zee,
langs de kusten van Noord- en Zuid-Amerika zijn
gevaren. Vondsten op verschillende plaatsen in
Noord- en Zuid-Amerika, doen vermoeden dat er al
veel eerder mensen woonden. Vondsten in Brazilië
dateren al van meer dan 40.000 jaar geleden. Sporen
in Peru, met name in het Andesgebied, dateren in
ieder geval van ca. 10.000 jaar geleden. Ze zijn
gevonden rondom Ayacucho en het Titicacameer. Het
waren jagers en verzamelaars die in grotten leefden,
waar ze tekeningen op de rotswanden en stenen
gebruiksvoorwerpen achterlieten. Rond 6000 v.Chr.
werden de eerste nederzettingen gebouwd en een begin
gemaakt met vormen van landbouw en veeteelt. Zo werd
de wilde guanaco getemd waar later de lama en de
alpaca uit voortkwamen. Rond 3000 v.Chr. werden
langs de noordelijke kust en in de bergen de eerste
grote gebouwen neergezet en ontstonden de eerste
maatschappelijke organisatievormen. Door de
introductie van irrigatietechnieken trokken er ook
steeds meer mensen naar het binnenland om daar een
bestaan op te bouwen. Door de veredeling van maïs
werden de gemeenschappen steeds groter.
Verschillende indianen-culturen
Een belangrijke bron van informatie over de
pre-Columbiaanse culturen is het keramiek, dat
dateert van ca. 1800 v.Chr., en vanaf 1500 v.Chr. in
geheel Peru gebruikt werd. Er zijn afbeeldingen te
vinden van goden en andere mythische figuren, maar
ook taferelen uit het dagelijkse leven zijn te
vinden op dit aardewerk. Verder zijn er grote
verschillen waar te nemen in de vorm: in het noorden
maakte men veelal aardewerk met platte bodems in de
vorm van dieren of mensen, in het zuiden had het
aardewerk ronde bodems, vaak met twee tuiten.
De Chavín-cultuur (1400-400 v.Chr.) was de eerste
belangrijke samenleving in Peru, met grote
prestaties op het gebied van architectuur en
beeldhouwkunst.
Zij zorgden er ook voor dat maïs tot
op grote hoogte verbouwd kon worden. De tempel
Chavín de Huántar was in deze periode het
godsdienstige centrum. Rond 400 v.Chr. verdween deze
cultuur, maar een aantal ruïnes zijn nog steeds te
bewonderen. De Paracas-cultuur (800-100 v.Chr.)
ontstond in het woestijngebied aan de zuidkust van
Peru, en breidde zich na 200 v.Chr. uit tot de dalen
van de Piso en de Chincha. Ze bouwden kleine dorpen
en leefden vooral van de landbouw. Opmerkelijk bij
deze cultuur was de opzettelijke schedelvervorming
bij pasgeborenen en ook schedeltrepanaties werden
toegepast. Van deze cultuur zijn veel mummies
gevonden en op weefgebied waren deze mensen
onovertroffen. Na 100 v.Chr. verdween deze cultuur
en werd in ongeveer hetzelfde gebied opgevolgd door
de Nazca-cultuur (100 v.Chr-600 n.Chr.). De Nazca
woonden aan de rand van de woestijn en bouwden
huizen, tempels en begraafplaatsen. Ze irrigeerden
het land en verbouwden onder uiteraard maïs en
verder maniok en limabonen. De mooiste aardewerken
voorwerpen werden in deze periode gemaakt door de
Nazca-pottenbakkers. Een bijzonder fenomeen zijn de
zogenaamde Nazca-lijnen, geogliefen van honderden
meters die in de woestijnbodem werden gemaakt en
dieren en planten voorstellen. Ze vormen
waarschijnlijk een astronomische kalender, maar
worden ook toegeschreven aan buitenaardse bezoekers.
De laatste periode van de Nazca wordt gekenmerkt
door de overgang naar de Wari-cultuur.
Tegelijkertijd met de Nazca-cultuur bestond ook de
Moche-cultuur (100 v.Chr.-700 n.Chr.) langs de hele
noordkust van Peru. De Moche waren ook kunstenaars
op het gebied van de keramiek. Zij gebruikten als
eerste mallen, matrijzen en stempels, waardoor er
een enigszins industriële productie ontstond. Ze
waren ook meesters in het verwerken van goud en
ontwikkelden ook een techniek om tekeningen op een
witte achtergrond te maken. Aan de zuidelijke oevers
van het Titicaca-meer ontstond de grote
Tiwanaku-cultuur. De Tiwanaku waren landbouwers die
geavanceerde technieken gebruikten, maar ook een
uitgebreid handelsnetwerk opbouwden. In een aantal
opzichten is er duidelijke verwantschap met de
Chavin- en de Nasca-cultuur. De Tiwanaku gebruikten
bouwtechnieken die later door de Kolla- en de
Inca-cultuur overgenomen werden.
De Wari (500-900) vestigden het eerste keizerrijk,
door bijna alle bestaande culturen in de
berggebieden en aan de kust te onderwerpen. Het was
dan ook duidelijk een strijdlustig volk dat
cultureel niet erg onderlegd was en veel stijlen en
kennis kopieerde van andere volken. Door de Wari
werd wel voor het eerst brons ontdekt en gebruikt.
De Chimú-cultuur (1000-1480) ontwikkelde zich in
hetzelfde gebied waar vroeger de Moche-cultuur
bloeide. Belangrijk was de koningsstad Chan Chan,
toen de grootste stad ter wereld met ca. 30.000
inwoners. Ze vergrootten de piramiden die door de
Moche gebouwd waren en namen ook veel over van de
Moche- en Wari-tradities. Doordat de keramiekkunst
te gewoon was geworden leefde dit volk zich meer uit
in de edelsmeedkunst. Veel van de goudschatten die
door de Spanjaarden van de Inca’s geroofd werden,
waren van de Chimú. Ze veroverden Lambayeque in het
noorden en Chancay in het zuiden, maar werden zelf
eind 15e eeuw door de Inca’s onder leiding van Tupac
Yupanqui verslagen.
Ten zuiden van het Chimú-rijk ontstond de
Chancay-cultuur (1000-1400), en in het Nazca-gebied
bloeide de Ica-cultuur (900-1550) op. De Ica-cultuur,
die ook aardewerk van hoge kwaliteit afleverde, werd
in 1470 door de Inca’s ingelijfd. De Kuelap, die
onder andere door de Wari en later door de Inca’s
opgejaagd werden, trokken zich terug in afgelegen
berggebieden en leefden daar van de landbouw.
Aanvankelijk bouwden ze ook zeer grote
verdedigingswerken, zoals het fort van Keulap in de
bergen ten noordoosten van Cajamarca. De Kolla’s
(900-1300) woonden ten westen van het Titicaca-meer
en waren landbouwers, maar verzetten zich hevig
tegen de legers van de Inca’s. De Kolla’s waren ook
gerenommeerde steenbewerkers, die onder andere
indrukwekkende graftorens bouwden.
Het Inca-rijk
Vanuit de hoofdstad Cusco in Peru kwam o.a. Bolivia
onder het gezag van de Inca’s (1200-1500 na Chr.).
De taal van de Inca’s, het Quechua, moest door elke
onderdaan gesproken worden en is nu nog steeds één
van de officiële talen van Peru. Het Inca-rijk was
verdeeld in vier gebieden waarvan Collasuyo een
groot deel van Peru, geheel Chili, een stukje
Noord-Argentinië en het huidige Bolivia omvatte. De
Inca’s legden wegen aan en bouwden aquaducten,
terrassen, forten en tempels. Ook ontstonden er
grote steden in de vlaktes. Uiteindelijk zouden maar
liefst 43 verschillende volken door de Inca’s
onderworpen worden. Rond 1520 brokkelde het
Inca-rijk langzaam af door onder andere interne
conflicten en de komst van de Europeanen. Het
hoogtepunt van de Inca-cultuur had al met al nog
geen honderd jaar geduurd.
De komst van de Europeanen
In 1492 ontdekte Christoffel Columbus een aantal
eilanden in het Caribisch gebied en noemde de
eilandbewoners indianen. Hij dacht immers dat hij
via een korte route naar Zuidoost-Azie gevaren was
en in India aangekomen was. Begin 16e eeuw kwam men
er al snel achter dat er een geheel ‘Nieuwe wereld’
ontdekt was. Het was de ontdekkingsreiziger Amerigo
Vespucci die langs de oostkust van het Amerikaanse
continent voer en zo Argentinië en Vuurland
ontdekte. Enkele jaren eerder was de te ontdekken
wereld door paus Alexander VI in twee stukken
verdeeld. Met het oog op de evangelisatie van alle
vreemde volken kregen de Spanjaarden de opdracht om
ten westen van de meridiaan van de Kaapverdische
Eilanden alle gebieden te bezetten; de Portugezen
ten oosten daarvan. In 1513 werd de Grote Oceaan
ontdekt door de Spanjaard Vasco Nuñez de Balboa. Hij
deed dit door de landengte van Panama over te
steken. Later was hij ook de eerste die de Peruaanse
kust in beeld kreeg, maar nog niet aan land ging. In
de eerste helft van de 16e eeuw namen de Spanjaarden
vrijwel het gehele Caribische gebied in handen en
van daaruit werden er vele expedities gehouden die
er toe leidden dat grote delen van Midden- en
Zuid-Amerika veroverd werden. Deze veroveringstocht,
begonnen door Hernán Cortez, werd de ‘conquista’
genoemd en de mensen die eraan deelnamen de
conquistadores. De eerste conquistador die Peruaans
grondgebied betrad was Francisco Pizarro, in 1525
bij Tumbes, in het noorden van Peru. Aanvankelijk
bleef het daarbij, ondanks het feit dat er verteld
werd over het machtige Inca-rijk waar veel te halen
was voor de Spanjaarden. Enkele jaren later kreeg
hij pas toestemming om terug te keren naar Peru, nu
vergezeld van een behoorlijk groot leger. Op dat
moment woedde al een strijd tussen de beide
koningszonen Atahualpa en Huascar, onder wie het
Inca-rijk was verdeeld. Ondanks het feit dat het
Inca-rijk dus al in staat van verval verkeerde, had
Pizarro met zijn mede-aanvoerder Diego de Almagro
een list nodig om de Inca’s te verslaan. De
Spanjaarden werden door de Inca-koning Atahualpa als
‘vrienden’ uitgenodigd, maar eenmaal daar aangekomen
openden ze de onverwacht de aanval en namen de
koning gevangen. Een half jaar later werd Atahualpa
gedood door de Spanjaarden. Men trad daarna in
onderhandeling met de broer van Atahualpa, Manco II.
Deze wilde Atahualpa graag opvolgen en vroeg de
Spanjaarden om steun. Die kreeg hij, waardoor de
Spanjaarden hun gang konden gaan en alle Inca-steden
plunderden, en schepen vol met goud en andere
kostbaarheden naar Spanje verscheepten. Dat hierbij
duizenden Inca’s het leven lieten, zal geen
verwondering wekken. Tijdens de hele conquista op de
Amerikaanse continenten werden miljoenen indianen
gedood, niet alleen door oorlogshandelingen maar ook
door nieuwe ziekten die de Europeanen meebrachten.
In Peru brak ondertussen een machtsstrijd uit tussen
Pizarro en Almagro, en ook de Inca’s onder leiding
van Manco II lieten zich niet onbetuigd en vochten
voor hun vrijheid. In 1538 werd Almagro door Pizarro
geëxecuteerd en drie jaar later werd Pizarro zelf
vermoord door de aanhangers van Almagro. In 1548
arriveerde de nieuwe onderkoning van Peru in de
persoon van La Gasca. Hij onderdrukte een nieuwe
opstand van de conquistadores onder Pizarro’s broer
Gonzalo, die onthoofd werd. De indianen werden door
de Spanjaarden als slaaf gebruikt en als
minderwaardig ras behandeld. Het systeem zat zo in
elkaar dat elke Spanjaard die zich in Zuid-Amerika
vestigde, automatisch recht had om een bepaald
gebied of dorp te pachten, een zogenaamd ‘encomienda’.
De Spaanse pachters hadden wel de plicht om indianen
tot het christendom te (laten) bekeren. In 1550 al
werden echter de ‘Leyes Nuevas’ van kracht, waarin
de slavernij officieel werd afgeschaft, althans wat
de indianen betreft. In werkelijkheid werden de
indianen nog eeuwenlang als slaven behandeld, en
daar kwamen de uit West-Afrika gehaalde zwarten
later nog bij. Verder probeerden de Spanjaarden uit
alle macht om de inheemse godsdiensten en culturele
uitingen te veranderen naar Spaanse maatstaven.
Verder werden gouden en zilveren kunstvoorwerpen
omgesmolten of verscheept naar Europa en werden
goud- en zilvermijnen leeggeroofd. Met al deze
kostbaarheden werden de vele Spaanse oorlogen
bekostigd en de economie van de Europese landen
kreeg een enorme impuls. Ook nu nog worden er
expedities georganiseerd om vermeende enorme
goudschatten te vinden.
Peru onafhankelijk
In 1739 werd het vice-koninkrijk Nieuw-Granada
(Colombia, Venezuela en Panama) en in 1776 dat van
Río de la Plata (Argentinië, Uruguay, Paraguay) van
het vice-koninkrijk Peru afgescheiden.
Eind 18e eeuw brak er nogmaals een grote opstand
tegen de Spanjaarden uit. Deze opstand stond onder
leiding van Tupac Amarú II, wiens eigenlijke naam
José Gabriel Condorcanqui was. Hij was een
afstammeling van de Inca’s die ook een groot deel
van de creolen en de mestiezen achter zich kreeg,
want zoals geheel Spaans-Amerika leed ook Peru sterk
onder het monopolie van handel en nijverheid van het
moederland. Aanvankelijk was hij aan de winnende
hand, maar uiteindelijk wisten de Spanjaarden hem
toch te verslaan en in 1781 werd hij, samen met de
andere opstandelingenleiders op barbaarse wijze
geëxecuteerd; bij Tupac Amarú werd o.a. de tong
uitgesneden. De onafhankelijkheidsstrijd in de
Verenigde Staten werd met grote aandacht gevolgd
door de hogere kringen in de Zuid-Amerikaanse
koloniën. Toen de Verenigde Staten zich inderdaad
losmaakte van Engeland was dat het sein voor de
Zuid-Amerikaanse vrijheidsstrijders om in actie te
komen. Belangrijk was ondertussen dat de positie van
Spanje in Europa steeds minder belangrijk werd. In
1805 werd de Spaanse vloot bij de Slag van Trafalgar
totaal vernietigd en in 1808 werd de Spaanse koning
Karel IV door Napoleon gedwongen om af te treden. In
1812 werd Spanje een parlementaire democratie, wat
in 1814 weer veranderde door de absolutistische
Spaanse koning Ferdinand VII. Kortom, Spanje, eens
het machtigste land ter wereld, raakte zijn leidende
positie in snel tempo kwijt.
Een landing van revolutionairen uit Argentinië en
Chili onder José de San Martín (1820) maakte ten
slotte de onafhankelijkheidsverklaring mogelijk (28
juli 1821). Daarop volgde een strijd met de
Spanjaarden, die zich in het zuiden hadden
teruggetrokken. Pas na de hulp die Simón Bolívar
verleende, kon de onafhankelijkheid bevestigd
worden; in 1824 werden de Spanjaarden bij Ayacucho
verslagen.
De Spaanse koningsgezinden gaven zich niet zonder
slag of stoot over en vluchtten de bergen in om van
daaruit te vechten tegen de opstandelingen. Deze
strijd duurde nog tot 1826, maar daarna was het
afgelopen met de Spanjaarden in Peru.
Bolívar had grootse plannen en wilde van heel
Zuid-Amerika één grote onafhankelijke staat maken.
Dit streven had echter weinig kans want daarvoor
waren de verschillen tussen de afzonderlijke
gebieden veel te groot. Aanvankelijk wist hij wel
een ‘Groot-Colombia’ aaneen te smeden, maar al snel
ontstonden overal afscheidingsbewegingen en in 1827
maakte Peru zich los uit deze constructie en werd
definitief onafhankelijk.
De republiek Peru
Voor de boeren en arbeiders bleef de situatie
vrijwel hetzelfde: de armoede bleef. Peru bleef in
feite in handen van enkele machtige families. De
export bestond op dat moment uit o.a zilver, suiker,
olie, koffie, katoen, rubber (sinds ca. 1850) en
guano, een waardevolle vogelmeststof. Het geld dat
hiermee verdiend werd ging grotendeels naar de
bezitters van de landerijen en buitenlandse
investeerders uit met name Engeland en de Verenigde
Staten. In 1864 werd een van de Peruaanse
guano-eilanden door de Spanjaarden bezet en er brak
daardoor een oorlog uit. Peru kreeg hulp van Chili,
Ecuador en Bolivia, en de Spanjaarden werden in 1866
verslagen. In 1879 erkende Spanje eindelijk de
onafhankelijke status van de republiek Peru. Hierna
kozen de republieken Peru en Bolivia kort voor een
gemeenschappelijk bestuur, maar splitsten zich
uiteindelijk weer op in twee afzonderlijke
republieken. De grenzen werden toen zodanig
getrokken dat Bolivia de Atamaca-woestijn met de
havenstad Antofogasta kreeg toegewezen, een groot
deel van het huidige Chili. Chili viel in 1879 de
kuststrook binnen en bezette de woestijn, waar veel
kostbaar zout voor het oprapen lag. In de zogenaamde
Salpeteroorlog of ‘Guerra del Pacifico’, kreeg Peru
hulp van Bolivia. Er werden zeeslagen gehouden,
bombardementen uitgevoerd en ook door een
loopgravenoorlog sneuvelden er tienduizenden
soldaten. Peru en Bolivia leden een vreselijke
nederlaag, en moesten daar in politieke zin ook voor
boeten. In 1883 werd er een pact met Chili
overeengekomen waarbij Peru de zuidelijke provincies
Tarapacá en Arica moest afstaan aan Chili. De oorlog
had ook voor de economie desastreuze gevolgen want
in 1890 werd Peru in feite failliet verklaard en
kwam het land eigenlijk onder controle van
buitenlandse ondernemingen, die de havens, het
treinverkeer en de lucratieve afgraving van guano
beheerden.
De arbeidsomstandigheden, met name op
het platteland, werden er ook niet beter op, en de
mensen leefden in isolement en armoede. Eind 19e,
begin 20e eeuw volgden de militaire dictaturen van
generaal Piérola en de presidenten Pardo en Leguía
elkaar in snel tempo op. De economie herstelde zich
in de periode tot aan de Eerste Wereldoorlog
enigszins, maar de buitenlandse schuld
vertienvoudigde.
Interbellun
Na de Eerste Wereldoorlog investeerden
Noord-Amerikaanse bedrijven ook in de koper- en
zinkindustrie, maar ook nu kwamen de inkomsten
terecht bij een kleine elite. Dat stuitte op veel
onvrede onder de arbeiders en ontevreden arbeiders
van suikerrietplantages nabij Trujillo richtten in
1924 de eerste arbeidersbeweging op, de Alianza
Popular Revolucionario Americana (APRA). Deze
beweging stond onder leiding van Haya de la Torre.
Ook werd er een communistische partij opgericht, de
PCP. In 1933 werd er een arbeidersopstand met harde
hand neergeslagen door de toenmalige dictator
Sánchez Cerro. Zijn opvolger Benavides (1933-1939)
herstelde een krachtig gezag en loodste zijn land
vrij succesvol door de wereldwijde depressie in de
jaren dertig, waardoor ook Peru getroffen werd.
Hoewel Peru niet direct betrokken was bij de twee
wereldoorlogen, werd er wel regelmatig oorlog
gevoerd met Ecuador vanwege grensgeschillen en om
land. In 1942 raakte Ecuador, vastgelegd in het
Protocol van Rio de Janeiro, ca. 42% van haar
grondgebied kwijt. Dit levert nog steeds regelmatig
spanningen tussen beide landen op, meest recent nog
in 1995.
Naoorlogse jaren
De naoorlogse jaren werden gekenmerkt door een komen
en gaan van democratische regeringen en dictaturen.
Direct na de Tweede Wereldoorlog werden de
verkiezingen gewonnen door partijen van linkse en
liberale signatuur. De eerste regeringsleider na de
oorlog werd José Luis Bustamante en onder zijn
leiding werden er liberale hervormingen doorgevoerd,
zoals persvrijheid en het vastleggen van
burgerrechten in de grondwet. Bustamante werd in
1948 afgezet door generaal Manuel Odría en onder
zijn dictatoriaal bewind werden
onderwijsvernieuwingen doorgevoerd.
Onder zijn opvolger Prado (1956-1962) ging het
langzaamaan weer beter met de economie ondanks hoge
inflatiecijfers. De grote steden profiteerden het
meeste van de groeiende economie, waardoor er veel
mensen van het platteland naar de steden trokken. De
verkiezingen van 1962 kenden geen winnaar, maar de
macht werd opgeëist door generaal Ricardo Pío Pérez
Godoy, die echter al na een jaar werd opgevolgd door
een militaire junta. Enkele maanden later werd het
roer weer overgenomen door een burger, Fernando
Belaúnde Terry van de Acción Popular (AP).
Militair bewind 1968-1978
Op 3 oktober 1968 werd er een militaire staatsgreep
gepleegd door generaal Juan Velasco Alvarado. Het
eerste wat hij deed voor de bevolking was om het
land terug te geven en de grote bedrijven te
nationaliseren, waaronder de IPC. Hij kon dit doen
door de grondwet buiten werking te stellen, maar dit
leverde wel een gespannen verhouding met de
Amerikanen op. In 1970 ontstond de guerillabeweging
Lichtend Pad (Sendero Luminoso), onder leiding van
Abimael Guzmán. Vanaf 1980 werd deze beweging steeds
gewelddadiger in een poging de door de bevolking zo
vurig gewenste maatschappelijk veranderingen te
bewerkstelligen. Belangrijk voor de economie van
Peru was de oprichting in Lima van de ANCOM, een
economische unie waar verder nog de Andeslanden
Venezuela, Bolivia, Colombia en Ecuador lid van
werden. De volgende staatsgreep vond plaats in 1975,
dit keer door generaal Francisco Morales Bermudez.
De door hem beloofde verkiezingen en een terugkeer
naar een burgerlijke democratie werden gehouden in
1980, en Belaúnde Terry van de Acción Popular werd
weer de nieuwe democratisch gekozen president. Hij
had daarbij het geluk dat de door de militairen
gesteunde APRA-leider Haya de la Torre in augustus
1979 overleed.
De economische positie bleef onder het liberale
economische beleid van Belaúnde Terry precair, want
de werkloosheid en de inflatie namen in snel tempo
toe.
Weer burgerlijk bestuur
In januari 1981 laaide het oude territoriale geschil
met Ecuador over een deel van het Amazonegebied op
tot een korte grensoorlog. Een ernstiger bedreiging
voor de politieke stabiliteit vormden de toename van
de illegale handel in cocaïne en de gewapende strijd
waartoe de maoïstische guerrillabeweging Sendero
Luminoso ( 'Lichtend Pad') vanaf 1980 overging. De
ontevredenheid van de bevolking over het beleid van
president Belaúnde leidde tot een groeiende aanhang
voor de APRA en de IU (Izquierda Unida = Verenigd
Links). In april 1985 werd Belaúnde Terry opgevolgd
door Alan García Pérez van de APRA, dat de
verkiezingen had gewonnen. Hij was al snel populair
bij de armen door het opschorten van de enorme
buitenlandse schulden en hij beloofde het terrorisme
te verslaan. Aanvankelijk leefde de economie op maar
in 1988 zakte die volledig in elkaar. Ook zijn
andere toezeggingen kon hij niet nakomen en dat
maakte een einde aan zijn grote populariteit. In
1985 werd er een nieuwe guerillabeweging opgericht,
de Movimiento Revolucionario Tupac Amaru (MRTA).
Deze beweging werd verantwoordelijk voor vele
terroristische aanslagen in met name de grote
steden. Politie en leger traden hard op en er vielen
in de periode tussen 1980 en 1992 tienduizenden
slachtoffers. In 1988 verergerde de situatie nog
door rechtse doodseskaders die de ene na de andere
moordaanslag pleegden, waarna García Peréz vervroegd
aftrad.
Periode Fujimori
De beroemde schrijver Mario Vargas Llosa was min of
meer de spreekbuis van de verontruste Peruanen en
stelde zich meteen kandidaat bij de
presidentsverkiezingen van 1990 voor de
rechts-liberale partij FREDEMO. Er kwam echter een
onverwachte winnaar uit de bus, namelijk Alberto
Fujimori van de nieuwe en onafhankelijke partij
Cambio ’90. Hij kreeg daarbij de steun van de APRA
en de linkse partijen. Fujimori was hoogleraar en
een afstammeling van Japanse immigranten. De
levensomstandigheden verslechterden echter verder,
waardoor in 1991 de helft van de bevolking,
merendeels Indianen, onder de absolute armoedegrens
kwam te verkeren.
Fujimori trok al snel bijna alle macht naar zich toe
door het Nationale Congres en de Kamer van
Gedeputeerden in 1992 te ontmantelen. De bedoeling
was om hiermee de corruptie en de bureaucratie terug
te dringen. De economie werd weer wat op de been
geholpen door financiële steun vanuit Japan en door
een privatiseringsgolf waarbij veel bedrijven aan
buitenlandse investeerders verkocht werden. Er werd
zowaar een succesje geboekt; de inflatie was in 1994
teruggelopen tot ‘maar’ 15%. In 1992 werden de
leiders van Sendero Luminoso, Guzmán en Campos,
gearresteerd. Ze werden tot levenslang veroordeeld
en hun organisaties de daaropvolgden periode
praktisch uitgeschakeld. De parlementsverkiezingen
van 1992 werden gewonnen door Fujimori’s partij.
In 1995 werd Fujimori met ruime meerderheid (64% van
de stemmen) herkozen als president en bij de
parlementsverkiezingen behaalde Fujimori's partij
een absolute meerderheid. De traditionele partijen,
zoals de APRA en de Acción Popular, kwamen er niet
aan te pas.
Fujimori kreeg eind 1996 te maken met de
Revolutionaire Beweging Tupac Amarú (MRTA). Begin
1997 gijzelden de stedelijke guerrilleros in de
residentie van de Japanse ambassadeur vier maanden
lang hooggeplaatste functionarissen, die, zo luidde
de eis, geruild zouden moeten worden tegen honderden
gevangengenomen Tupac Amarú-strijders. De
regering-Fujimori weigerde op die eis in te gaan en
elitesoldaten ontzetten in een bliksemactie de
gijzelaars.
Fujimori's autocratische regeerstijl eiste ook in
1997 weer verschillende slachtoffers. Drie rechters
van het Constitutionele Hof werden ontslagen omdat
zij zich hadden uitgesproken tegen de interpretatie
van de grondwet door het parlement ten gunste van
een derde ambtstermijn van Fujimori. In 1997 rezen
twijfels over het geboorteland van de president.
Volgens de grondwet moet hij namelijk in Peru
geboren zijn.
De sociale tegenstellingen in Peru zijn schrijnend
en dat verergerde onder Fujimori alleen nog maar. De
indiaanse meerderheid van de bevolking leeft in zeer
arme omstandigheden en ook de misdaad nam hand over
hand toe. Na de moord op mijneigenaar Luis
Hochschild en de ontvoering van diens zoon, kende
het parlement op 12 mei 1997 president Fujimori
speciale bevoegdheden toe om de georganiseerde
misdaad aan te pakken.
Begin 1998 werd Peru, vooral in de
kustdepartementen, getroffen door het
klimaatverschijnsel El Niño. Ten minste 300 mensen
verloren het leven door verdrinking, malaria, gele
koorts en longontsteking; 30.000 huizen en vele
wegen werden vernield. De regering kondigde in 15
van de 24 departementen de noodtoestand af.
21e eeuw
Eind december kondigde president Alberto Fujimori
aan zich kandidaat te stellen voor de
presidentsverkiezingen in 2000, en bij winst zou hij
een derde achtereenvolgende keer het land regeren.
Dit was echter bij grondwet verboden en de
oppositiepartijen reageerden furieus. Volgens een
grondwetswijziging die Fujimori tijdens zijn eerste
ambtsperiode doorvoerde, mag een president slechts
één keer herkozen worden. Fujimori verdedigde zich
door te stellen dat de nieuwe Grondwet slechts geldt
vanaf zijn tweede ambtsperiode. Hoewel de
populariteit van Fujimori door de slechte
economische ontwikkelingen afnam, bleef hij de steun
houden van de meeste politici. Door zijn autoritaire
regeerstijl en het omstreden systeem van rechtspraak
werd de kritiek vanuit het buitenland steeds
scherper. Op 9 april 2000 werden de
presidentsverkiezingen gehouden, waarbij Fujimori,
evenals zijn rivaal van indiaanse afkomst Alejandro
Toledo, verrassenderwijs geen meerderheid behaalde,
zodat een tweede ronde noodzakelijk werd.
Op 28 mei was de tweede verkiezingsronde met
Fujimori als de enige kandidaat, omdat Toledo had
zich teruggetrokken wegens verkiezingsfraude.
Fujimori won uiteraard, maar de Verenigde Staten
erkenden de verkiezingsuitslag niet. Er kwam een
omkopingsschandaal aan het licht waarbij het hoofd
van de veiligheidsdienst, en tevens Fujimori’s naast
adviseur, Vladimiros Montesinos, was betrokken. Dit
schandaal leidde de val van president Fujimori in,
en na een interim-regering onder leiding van
Valentin Paniagua, won Alejandro Toledo de
verkiezingen van voorjaar 2001. Het was een
nek-aan-nek-race met Alan García, maar uiteindelijk
trad Toledo op 28 juli 2001 aan als president. De
verbeteringen die de regering Toledo wil invoeren
zijn: hervorming van de rechterlijke macht en van
het electorale systeem, verbetering van het respect
voor grondrechten, persvrijheid en beteugeling van
de politieke invloed van inlichtingendiensten en
strijdkrachten.
In september vaardigt het Hooggerechtshof in Peru
een internationaal arrestatiebevel uit voor Fujimori,
die op dat moment in een zelf gekozen ballingschap
in Japan zit. Sinds juni 2004 ziet Toledo zich niet
meer gesteund door een meerderheid in het Congres.
Zijn partij Peru Posible behaalde 45 van de 120
zetels en heeft derhalve een (gelegenheids)coalitie
gevormd met FIM (Frente Independiente Moralizador)
De regering blijkt ineffectief en Peru Posible wordt
geteisterd door onderlinge strijd. Een aantal
corruptieschandalen, waarin topambtenaren betrokken
waren, heeft er voor gezorgd dat zijn populariteit
nog verder is teruggelopen. Tal van
kabinetswijzigingen volgden elkaar op en in juli
2004 ging het voorzitterschap van het Parlement naar
de oppositie, met de verkiezing van Antero Flores
Aráoz, van de PPC. In 2006 is hij opgevolgd door de
gematigde ex-president Alan García van de Partido
Aprista Peruano. In december 2007 staat Fujimori
terecht op verdenking van machtsmisbruik. In een
bijproces krijgt hij zes jaar gevangenschap. Hij
gaat in beroep maar dat is in april 2008 afgewezen.
Economie en Toerisme
Algemeen
Van oudsher is de Peruaanse economie sterk
afhankelijk van de uitvoer van producten van
landbouw, mijnbouw en visserij. De belangrijkste
exportproducten zijn koper, zilver, suiker, vis en
vismeel, koffie, katoen, coca en sinds enige jaren
aardolie. In 1992 was van de beroepsbevolking (7,2
miljoen) 33% werkzaam in landbouw en visserij, 17%
in industrie,bouwnijverheid en mijnbouw en 50% in de
handel- en dienstensector, die in 2003 de volgende
percentages aan het Bruto Nationaal Product (bnp)
bijdroegen: 10%, 27% en 63%.
Na een periode van relatief stabiele economische
ontwikkeling in de periode 1965-1980, kreeg Peru te
kampen met een economische crisis. In de jaren
tachtig groeide het bnp nog maar met gemiddeld 0,4%
per jaar; per hoofd van de bevolking daalde het bnp
met in totaal 30% tussen 1981 en 1991. Sindsdien
groeit het bnp dankzij het stabilisatie- en
aanpassingsbeleid van president Fujimori weer met
ca. 4% per jaar.
Met name de periode 1993-1997 kende
hoge groeicijfers. De inflatie was in de jaren
tachtig en negentig zeer hoog: gemiddeld 495% per
jaar. Inmiddels ligt de inflatie al enkele jaren
onder de 5%. De buitenlandse schuld bedroeg in 2002
nog 29,2 miljard dollar. Het
werkloosheidspercentage, officieel 9,4% in 2003, is
in werkelijkheid vele malen hoger: 77,4% van de
bevolking heeft niet genoeg werk om van te leven. In
1998 viel de economische groei fors terug naar 2%
als gevolg van teleurstellende visserij- en
landbouwopbrengsten door de financiële crisis in
Azië, het natuurfenomeen El Niño en de lage
grondstofprijzen. Het aantal mensen dat onder de
armoedegrens leefde onder Fujimori's bewind het
aantal mensen dat onder de armoedegrens leeft, is
gestegen tot 20% van de bevolking. Daarbij horen de
duizenden werknemers van staatsbedrijven die na de
privatisering werden ontslagen. Vanaf eind 1999 ging
het economisch weer iets beter met de Peruaanse
economie. De informele sector is bijzonder groot in
Peru, vooral veroorzaakt door de hoge werkloosheid.
Men werkt dan bijvoorbeeld als straatverkoper of
taxichauffeur. Peru trad in 1969 toe tot het
Andespact, een samenwerkingsverband tussen Bolivia,
Colombia, Ecuador, Peru en Venezuela. Het doel van
dit pact is de verwezenlijking van een subregionale
gemeenschappelijke markt. Tussen de Europese Unie en
de landen van het Andespact bestaat sinds 1984 een
samenwerkingsovereenkomt. In 1991 werd
overeenstemming bereikt over het instellen van een
vrijhandelszone, in eerste instantie tussen
Venezuela, Colombia en Ecuador. Met de meeste landen
in de regio sloot Peru bilaterale
handelsovereenkomsten. Peru heeft toegang tot de
Atlantische Oceaan via Puerto Suarez, de rivierhaven
van Bolivia.
Landbouw, visserij, veeteelt en bosbouw
Van het totale landoppervlak is nog geen 3% in
gebruik voor akkerbouw, 21% is weidegrond en 54% is
met bos bedekt. Door klimatologische omstandigheden
is oogsten aan de Peruaanse kust het gehele jaar
door mogelijk. In 2001 groeide de totale productie
van de Peruaanse landbouwsector nog met 13%.
Van de akkerbouwgrond wordt bijna de helft bevloeid
met name in de geïrrigeerde terreinen in de Costa;
de Sierra omvat 60% van het landbouwareaal, terwijl
in de Selva (nu 15% van het areaal) nog grote
gebieden voor landbouw geschikt te maken zijn.
Van de veelal op moderne bedrijven in de Costa
verbouwde producten zijn suikerriet en katoen de
belangrijkste, beide producten worden geëxporteerd;
verder rijst, druiven, tabak, groenten (broccoli,
bloemkool, uien) en fruit (vooral mango’s en verder
o.a. passievruchten en citrusvruchten). De
aspergeteelt is een echte groeisector en is nu al
het voornaamste landbouwproduct voor de Peruaanse
export. Witte asperges gaan vooral naar Europa, de
groene variant gaat vooral ingevroren naar de
Verenigde Staten.
De overwegend kleine bedrijfjes in de zeer intensief
bebouwde Sierra produceren voedingsgewassen voor de
binnenlandse markt als aardappelen, bonen, maïs,
bananen, tarwe, haver, gerst, knolgewassen, quinoa
en steeds meer exportgewassen als coca en koffie. In
de Andes leeft een groot deel van de bevolking van
‘zelfvoorzienende landbouw’.
De Selva produceert vooral katoen, rijst, bonen en
bananen.
Peru is een belangrijke producent van het cocablad.
Hoewel de bulk van de productie van cocabladeren en
cocaïne zich momenteel in Colombia concentreert,
wordt de zogenaamde ‘pasta básica’, een
tussenproduct voor de uiteindelijke aanmaak van
cocaïne, ook in Peru geproduceerd en naar Colombia
vervoerd.
Deze ontwikkeling leidt ertoe dat ondanks de
redelijk succesvolle bestrijding van de cocateelt,
cocaboeren steeds meer betrokken raken bij de
drugscriminaliteit.
Rundvee- en varkenshouderij vinden vooral plaats in
de kustvlakten (zuivelproductie) en op de
hoogvlakten in de Sierra; in de Sierra overweegt de
schapenteelt, naast alpaca en lama.
Van groot economisch belang is de zeevisserij, met
een jaarlijkse gemiddelde waarde van 595 miljoen
dollar goed voor 17% van de totale exportwaarde.
Peru is na China het land met de grootste visvangst.
Na een sterke teruggang in de
vangsten van ansjovis en tonijn in 1972 en 1982/1983
(gevolg van overbevissing en veranderingen in de
Humboldtstroom voor de kust, waardoor de visgronden
tijdelijk verdwenen) leefde de visserij toch steeds
weer op. Ansjovis en sardines (samen ca. 10 miljoen
ton per jaar) wordt grotendeels verwerkt tot vismeel
en visolie. Peru is de grootste vismeelproducent ter
wereld. De overige vis, vooral makreel, wordt
diepgevroren of als conserven uitgevoerd. Als eens
in de zoveel jaar El Niño optreedt en warm tropisch
water langs de kust stroomt, is alle vis daar weg en
verkeert de visverwerkende industrie in een crisis.
Ook het gevaar van overbevissing was lang aanwezig,
maar sinds 1986 zijn er quota ingesteld.
Van de aanwezige houtvoorraad wordt maar een zeer
klein gedeelte geëxploiteerd en met name de
productie van hardhout is onvoldoende voor de
binnenlandse behoefte. Per jaar wordt ongeveer 8
miljoen m3 hout gekapt voor de houtverwerkende
industrie.
Uitbreiding van de bosbouw heeft grote prioriteit,
waarbij vooral het transportprobleem de aandacht
heeft. In de Sierra wordt hout vooral als
energiebron gebruikt, wat tot grote ecologische
problemen heeft geleid als gevolg van erosie.
Mijnbouw en energievoorziening
De exploitatie van delfstoffen is van groot belang
voor de Peruaanse economie en de mijnbouw is dan een
van de pijlers van de Peruaanse economie. Deze
sector is traditioneel goed voor ca. de helft van de
totale exportopbrengsten ban het land. Peru is
altijd al een belangrijke zilverproducent geweest
(tweede op de wereldranglijst) en staat zesde op de
ranglijst van koperproducenten, vierde op de
ranglijst van zink-, lood- en tinproducenten,
terwijl de uitvoer van aardolie een belangrijke
bijdrage aan de deviezenontvangsten levert. De
mijnbouw was tussen 1906 en 1974 volledig in handen
van Noord-Amerikaanse maatschappijen. Het grootste
aandeel in de koperwinning hebben de mijnen van
Toquepala en Cuajone. Het kopererts wordt
grotendeels in Peru zelf geconcentreerd en
gesmolten, en voor slechts de helft in het land
geraffineerd. Andere belangrijke kopermijnen zijn
die van Tintaya (bij Yauri), La Oraya en van Cerro
Verde.
Van belang zijn voorts de winning van bismut, goud,
cadmium, selenium en nog enkele andere zeldzame
metalen, vaak in combinatie met koper en zink;
ijzererts wordt bij Marcona gewonnen. De winning van
uranium (een van de grootste vindplaatsen in
Zuid-Amerika) bij Marochoca (dept. Junín) is van
groot belang, zo ook (nog steeds) die van guano op
enkele eilanden voor de kust. Guano is de
nitraatrijke vogelmest op de rotsen voor de kust. De
Sechurawoestijn levert kali en herbergt één van de
drie grootste fosfaatreserves ter wereld. De
aardoliewinning, verwerking en verkoop is sinds 1968
gedeeltelijk in handen van de staatsmaatschappij
PETROPERÚ. Peru is zelfvoorzienend voor aardolie,
eenderde wordt geëxporteerd. De olieproductie neemt
geleidelijk af door het uitputten van de bestaande
velden en het ontbreken van belangrijke nieuwe
exploratieactiviteiten.
Bij de energievoorziening van het land speelt de
enorme waterkrachtreserve een grote rol; van het
geïnstalleerd elektrisch vermogen (ca. 14 miljard
kWh) bestaat 75% uit waterkrachtcentrales (Río
Mantaro; Huinco). De
staatselektriciteitsmaatschappij ELECTROPERÚ heeft
het grootste deel van de openbare
elektriciteitsproductie en -distributie in beheer,
maar toch zit 35% van de bevolking zonder stroom.
Industrie
De verwerking van primaire producten uit landbouw,
mijnbouw en visserij neemt nog steeds een
belangrijke plaats in de Peruaanse industrie in.
Verder is de productie van transportmiddelen en
elektronica van belang. Ondanks de hervorming van de
industriële sector en de nationalisaties sinds 1968
is de invloed van buitenlands kapitaal belangrijk
gebleven en is de invloed van de arbeiders beperkt
gebleven. De staatsondernemingen en
genationaliseerde bedrijven worden beheerd door het
in 1972 opgerichte INDUPERÚ, dat tevens tot taak
heeft een decentralisatie van de industriële
ontwikkeling tot stand te brengen.
Belangrijke industriële centra zijn:
Lima-Callao is het industriële centrum van het land:
voedingsmiddelen, dranken, tabaksartikelen, textiel,
elektronica, glas, rubber en cement Chimbote:
vismeel, visolie, visconserven, staalindustrie
Chiclayo: suiker
Trujillo: auto's, tractoren, machines,
motoren en suiker
Arequipa: textiel en zuivelproducten
Cusco: textiel, kunstmest
Ilo: koperraffinage
La Oroya: koper- en zinksmelterij,
metallurgie
Aardolieraffinaderijen in: Talara, Lima,
Tumbes, Iquitos, Conchán, Pucallpa en Bayóvar
Nasca: staal
Kleding en textiel
Textiel is de belangrijkste tak van de
niet-traditionele export van Peru, met als
belangrijkste exportmarkt de Verenigde Staten
(totale exportbedrag: 366 miljoen dollar). Van de
totale waarde van de Nederlandse import uit Peru
bestond in 2001 14,7% uit kleding. Het succes van de
Peruaanse textiel komt onder andere door de erg
goede kwaliteit van het katoen.
Handel
Tegenwoordig is cocaïne (in de vorm van zowel poeder
als pasta) naast koper Peru's belangrijkste
exportproduct. De opbrengsten uit de cocaïne zijn
natuurlijk nergens in de officiële cijfers terug te
vinden. Naast koper zijn ook zilver, vismeel, zink,
tin, koffie, ijzer en katoen belangrijke officiële
exportartikelen. De belangrijkste handelspartners
zijn de Verenigde Staten, Japan en de EU, en verder
de buurlanden van het Andes-Pact.
Ingevoerd worden vooral grondstoffen, halffabrikaten,
machines en voedingsmiddelen.
Verkeer en toerisme
De geografische structuur van het land veroorzaakt
grote transportproblemen. Het grootste deel van het
transport gaat over de weg. De lengte van het
wegennet bedraagt ca. 80.000 km, waarvan maar 13% is
geasfalteerd. De belangrijkste verkeersaders zijn de
Carretera Panamericana (ca. 3400 km) van noord naar
zuid grotendeels langs de kust, de Carretera Central
Transandino, van Lima-Callao oostwaarts, die via La
Oroya en Pucallpa in de toekomst aansluiting zal
geven op de Braziliaanse Transamazone-snelweg, en de
deels voor verkeer geopende, deels in aanleg
verkerende Carretera Marginal de la Selva aan de
oostzijde van het Andesgebergte. Het wegdek van de
Pan American is nog niet zo lang geleden geheel
vernieuwd en er is een tolsysteem ingevoerd om
toekomstig onderhoud te bekostigen. Het spoorwegnet
(ca. 2500 km) bestaat uit negen onderling niet
verbonden lijnen. Een groot deel hiervan verkeert in
een zeer slechte staat en wordt voornamelijk
gebruikt voor het transport van mineralen. De
binnenvaart speelt vooral een rol in het
Amazonegebied (havens: Iquitos en Pucallpa) en op
het Titicacameer. Het merendeel van de im- en export
loopt via de zeehaven Callao, ca. driekwart van alle
Peruaanse import en ca. een kwart van de totale
export; van de overige 25 zeehavens zijn van belang
Chimbote, Talara, Mollendo, Matarani, Ilo, Pisco,
Salaverry, Bayóvar en Paita. De
staatsscheepvaartmaatschappij Corporación Peruana de
Vapores (CPV) beschikt over een koopvaardijvloot van
ruim 600 schepen, waarvan een twintigtal tankers.
Behalve de internationale luchthavens van Lima (Jorge
Chávez), Iquitos, Arequipa en Cuzco beschikt het
land over ruim 300 vliegvelden en landingsstrips,
waarvan er zeven geschikt zijn voor grotere
vliegtuigen. De luchtvaartmaatschappij
LANPERUverzorgt het internationale vliegverkeer en
een deel van het binnenlandse luchtverkeer, dit
laatste samen met de particuliere Starperu.
Peru is vooral voor natuurliefhebbers een
interessant land. Speciale attracties zijn het
Andesgebergte, het Titicacameer en de Colca Canyon.
Peru staat verder natuurlijk bekend om zijn
belangrijke erfenis van pre-hispaanse culturen. Een
van de grootste toeristische trekpleisters is Cuzco,
de oude hoofdstad van het Incarijk.
De ruïnes van Machu Pichu worden het
meest bezocht. De mysterieuze Nazca-lijnen in de
zuidelijke woestijn zijn ook zeer populair. De
spectaculaire vondst van het graf van ‘El Señor de
Sipan’ in het noorden van Peru betekende een nieuwe
trekpleister voor het toerisme.
In 2002 bezochten 400.000 toeristen Peru, een
stijging van meer dan 30% ten opzichte van 2001. In
1970 kwamen er nog maar 134.000 bezoekers naar Peru.
In 1992 was het aantal bezoekers amper 216.000 door
het geweld, de economische chaos en een
cholera-epidemie. De Peruaanse overheid rekent
binnen niet al te lange tijd op meer dan één miljoen
bezoekers per jaar. Het grootste struikelblok om dit
aantal snel te halen is de inadequate
hotelinfrastructuur van Peru.
Bevolking
Samenstelling en spreiding
Naar schatting bestaat de Peruaanse bevolking voor
47% uit raszuivere indianen, voor 32% uit mestiezen
en 12% uit blanken, voornamelijk van Spaanse
afkomst; 3% is van Aziatische en Afrikaanse
herkomst. De meeste indianen wonen in de Andes en in
het Amazonegebied terwijl blanken en mestiezen
veelal aan de kust wonen, en dan nog met name in
grote steden als Lima, Arequipa en Trujillo. Op de
sociale ladder staan de blanken nog steeds op de
hoogste trede, daarna komen de mestiezen en ver
daaronder pas de indianen. Na Bolivia is Peru het
Zuid-Amerikaanse land met het grootste percentage
indianen. De zwarten stammen af van slaven uit
Afrika die op de hacienda’s werden ingezet; Geschat
wordt dat er tot 1810 meer dan 800.000 in Peru
aankwamen. De meeste zwarten wonen in de buurt van
Chincha, ten zuiden van Lima, omdat daar vroeger
grote suikerplantages gevestigd waren. De Chinezen
en Japanners kwamen tussen 1850 en 1920 naar Peru
als mankracht voor de aanleg van spoorlijnen.
Fujimori was de eerste president van Japanse
afkomst. Tussen 1876 en 1920 vestigden zich ook veel
immigranten uit Europa zich in Peru: Italianen,
Spanjaarden, Fransen, Engelsen en Duitsers.
De indianen van de bergstreken, ook wel
hooglandindianen genoemd, behoren voornamelijk tot
de Quechua’s, in de streek rond het Titicacameer
wonen vooral Aymarás. De Quechua’s zijn onder te
verdelen in verschillende groepen, die zich van
elkaar onderscheiden in klederdracht, gebruiken en
de streek waar ze wonen. Een unieke groep
Aymará-indianen vormen de Uros, die leven in de baai
van Puno op drijvende eilanden die gemaakt zijn van
totora-riet. De laatste decennia is hun cultuur
sterk in het gedrang gekomen door het toenemende
toerisme en gemengde huwelijken met Aymarás. In het
Amazonegebied wonen verschillende kleine stammen met
ieder een aparte taal en eigen gewoontes en
gebruiken. Deze regenwoudindianen zijn de
oorspronkelijke bewoners van het Amazone-laagland.
De levensstijl van sommige stammen is door het
contact met de westerse mens grondig gewijzigd.
Andere stammen vermijden bijna elk contact met de
westerse mens.
In de omgeving van Iquitos wonen Yahua’s en
Shipibo’s; in het centrale deel van het regenwoud
wonen de Ashaninka’s en Machiguenga’s; in de
omgeving van het nationale park Manu wonen Mashco’s,
Piro’s en Yora’s. Twee stammen waarvan men eigenlijk
alleen weet dat ze bestaan heten Mashco Piro en
Kogapacori en leven in de zuidoostelijke jungle. In
de omgeving van Tarapoto wonen de Lamas-indianen.
Vroeger leidden al deze stammen een semi-nomadisch
bestaan, nu leven ze vaak op een vaste plaats door
het gebruik van moderne vervoersmiddelen. De
voornaamste bestaansmiddelen zijn nog steeds
landbouw en jacht. Sommige stammen verdienen er met
kunstnijverheid voor de toeristen nog een centje
bij. Aan de andere kant vormt vooral het toerisme
voor de echte natuurvolken een serieuze bedreiging.
Hun jachtgebieden worden verstoord en hun sociale
leven en tradities komen onder zware druk te staan.
Vandaag de dag leven er nog ca. 200.000
Amazone-indianen in Peru, verdeeld in 53 etnische
groeperingen, die talen spreken uit 12 verschillende
linguïstische families. Sommige groepen, zoals de
Toyeri, bestaan slechts uit enkele tientallen
personen. Andere, zoals de Machiguenga en de Campa,
hebben een bevolking van enkele tienduizenden
personen.
Demografische gegevens
De jaarlijkse bevolkingstoename bedroeg in de
periode 1985-1995 2,1% per jaar (2003: 1,61%); het
inwonertal is van 10,3 miljoen in 1961 gestegen tot
23,8 miljoen in 1995 en zal volgens de prognoses in
2004 ruim 28 miljoen bedragen. De
bevolkingsdichtheid bedraagt ca. 21 inwoners per
km2. Geboorte- en sterftecijfer waren in 2003 22,81
respectievelijk 5,69 per duizend; de kindersterfte
bedroeg 37 per 1000 levendgeborenen. De gemiddelde
levensverwachting bij geboorte bedraagt voor vrouwen
73,4 jaar en voor mannen 68,45 jaar. Van de
bevolking woont ca. 72% in de steden (in 1960 46%).
De grootste bevolkingsconcentratie wordt gevormd
door de hoofdstad Lima, namelijk 8,4 miljoen
inwoners (1900: ca. 100.000 inwoners). Ook andere
steden groeiden spectaculair: in Arequipa groeide de
bevolking van 40.000 in 1940 naar ca. 865.000
inwoners in 2003; Chimbote groeide van 4000 inwoners
in 1940 naar 346.000 in 2003.
Taal
Naast het Spaans, dat in Peru
‘Castellano’ genoemd wordt, heeft sinds 1975 ook het
Quechua, gesproken door de indianen van het centrale
bergland, de status van officiële taal; de indianen
rond het Titicacameer spreken Aymará en de
Amazone-indianen spreken weer een veelheid van
hieraan niet-verwante talen.
Spaans wordt door ca. 70% van de bevolking
gesproken. Het Quechua wordt door de meerderheid van
de indiaanse bevolking gesproken. Het Aymará wordt
nog door zo’n twee miljoen mensen in Peru en Bolivia
gesproken. Het Quechua en het Aymará waren geen
geschreven talen en hebben ook nu nog stees geen
officiële spellingswijze, waardoor de spelling van
plaats tot plaats verschilt.
De Amazone-indianen zijn verdeeld in 53 etnische
groeperingen die talen spreken uit 12 verschillende
linguïstische families.
Godsdienst
Ongeveer 96% van de bevolking is
rooms-katholiek. Volgens de Constitutie van 1933 is
er godsdienstvrijheid, maar de Rooms-Katholieke Kerk
wordt door de staat geprotegeerd. De
Rooms-Katholieke Kerk is de laatste decennia wel
sterk veranderd en de directe invloed is tanende. De
Rooms-Katholieke Kerk komt wel steeds meer in
opstand tegen de armoede, de onrechtvaardigheid en
ongelijkheid, en vervult daarmee nog een belangrijke
functie in het maatschappelijke en politieke leven.
Om de gehele bevolking te kunnen bereiken worden de
missen niet alleen in het Spaans gehouden, maar ook
in Quechua, Aymará en andere dialecten. Omdat
heidense praktijken in de koloniale tijd streng
werden vervolgd, zijn veel van de oude tradities en
gewoonten ingebed in het katholicisme. Vooral op het
platteland worden Pachamama (‘Moeder Aarde’) en
Maria naast elkaar vereerd. De katholieke kerk in
Peru heeft 7 aartsbisdommen met 12 bisdommen, 14
vrije prelaturen en 8 apostolische vicariaten. In
het hele onderwijs is de Katholieke Kerk nog
prominent aanwezig en verschillende Peruaanse
universiteiten zijn in handen van de Katholieke
Kerk.
Van de bevolking is 3% protestants. Sinds 1900 is de
invloed van de protestantse kerken steeds groter
geworden, met name van adventisten,
pinkstergemeenschappen, jehova’s, baptisten en
mormonen. De religie van de Andes-indianen is altijd
al vermengd geweest met pre-Columbiaanse rituelen.
Samenleving
Staatsinrichting
Volgens de Grondwet van 29 december 1993 is Peru een
presidentiële republiek en berust de wetgevende
macht bij het Congres of ‘Congreso Constituyente
Democratíco). Het Congres bestaat uit een 120 leden
tellende Kamer van Afgevaardigden die voor een
periode van 5 jaar via directe verkiezingen gekozen
wordt. Door de Kamer zelf worden 25 leden
rechtstreeks aangewezen.
De uitvoerende macht berust bij de president, die
wordt gekozen voor een ambtstermijn van 5 jaar. De
zittende president mocht al voor de tweede gaan voor
een nieuw ambtstermijn, in 2000 stemde het Congres
in met een mogelijke derde termijn. Behaalt een
kandidaat bij de directe verkiezingen 56% of meer
van de stemmen, dan is hij verkozen, bij een lager
stemmenpercentage volgt een tweede stemronde. Sinds
april 2001 wordt er volgens een districtenstelsel
gekozen. Er bestaat stemplicht voor burgers van 18
jaar en ouder (sinds 1980 ook voor analfabeten).
De president benoemt de minister-president en staat
tevens aan het hoofd van de strijdkrachten. Hij
heeft ook de macht om wetgeving te blokkeren als de
uitvoerende macht het hier niet mee eens is.
Administratieve indeling
Peru is bestuurlijk verdeeld in 25 regio’s en verder
onderverdeeld in 156 provincies. De regio's worden
bestuurd door benoemde prefecten, de districten door
een rechtstreeks gekozen burgemeester.
Onderwijs
Vanaf 1972 is onderwijs verplicht voor kinderen
tussen de zeven en zestien jaar oud, maar helaas
behoort het onderwijsniveau in Peru tot het laagste
in Latijns-Amerika. Uitval van leerlingen in de loop
van de lagere school loopt op tot 40%, en maar gaan
weinig leerlingen gaan door naar de middelbare
school. Van alle zes- tot elfjarigen, voornamelijk
buiten de grote steden, geniet ongeveer 12,7% geen
onderwijs. In 2000 telde Peru ca. 50.000
onderwijsinstellingen.
Van de ongeveer vijftig universiteiten staat
eenderde in de hoofdstad Lima en ongeveer een half
miljoen studenten volgt een universitaire opleiding.
Kwalitatief veel beter is het onderwijs aan
privé-universiteiten, dat echter voor slechts
weinigen is weggelegd.
Ca. 13% van de bevolking is analfabeet, waarvan het
merendeel vrouwen. Op het platteland kan zelfs 45%
van de vrouwen niet lezen, tegen 11% van de mannen.
Typisch Peru
NASCA-LIJNEN
Nazca ligt in het zuiden van Peru, niet ver van de
Stille Oceaan op de Pampa de San José. Het is de
plaats van de mysterieuze tekeningen die aanleiding
hebben gegeven tot de meest uiteenlopende theorieën.
De lijnen en figuren van Nazca zijn in december 1994
door de Unesco beschermd als cultureel
werelderfgoed. De lijnen werden in 1939 ontdekt door
de Amerikaan Paul Kosok van de universiteit van Long
Island. De Nazca-lijnen zijn een reeks tekeningen
van vogels (o.a. pelikaan, kolibrie), andere dieren
en geometrische figuren als driehoeken, rechthoeken
en spiralen, soms met een doorsnede van wel 300
meter en verder zijn er kaarsrechte lijnen van tien
kilometer lengte. De figuren zijn gemaakt door de
woestijnbodem een tiental centimeters af te graven,
waardoor een minder verweerd en lichter gekleurd
deel van de bodem zichtbaar werd.
Wie de enorme tekeningen gemaakt heeft, is nog
steeds niet duidelijk.
Sommige archeologen zien er een
astronomische kalender in, anderen denken aan
kopieën van bepaalde sterrenconstellaties aan de
hand waarvan de exacte beweging van de sterren kon
worden vastgelegd. Fantasten denken aan
landingsbanen voor buitenlandse luchtschepen! Men
vermoedt dat de figuren zijn gemaakt tussen 200
v.Chr. en 600 na. Chr.
Bolivia (officieel: República
de Bolivia) is een presidentiële republiek in
Zuid-Amerika. Het land wordt volledig omsloten door
andere landen. Bolivia grenst in het noorden en het
oosten aan Brazilië (3400 km), aan Paraguay (750 km)
in het zuidoosten, aan Argentinië (832 km) in het
zuiden en aan Chili (861 km) en Peru (900 km) in het
westen. Vroeger was Bolivia twee keer zo groot en
grensde het zelfs aan de Stille Oceaan (Pacific). In
de loop der tijd heeft het land veel gebied verloren
aan de buurlanden.
Bolivia is qua oppervlakte het vijfde land van
Zuid-Amerika en meet 1.098.581 km2. Het is daarmee
ongeveer net zo groot als Spanje en Frankrijk samen
en ongeveer 26x zo groot als Nederland.
Bolivia ligt in het centrum van het Andesgebergte
dat van noord naar zuid over het Zuid-Amerikaanse
continent loopt. Het Boliviaanse Andesgebergte
bestaat uit twee evenwijdig lopende bergketens.
Daartussen ligt een hoogvlakte (Altiplano) die op
een hoogte van ca. 4000 meter ligt. De oostelijke
bergketen heet de Cordillera Oriental en daar komen
toppen voor tot 6500 meter hoogte. De westelijke
bergketen heet Cordillera Occidental en kenmerkt
zich door veel vulkanische activiteit en droge
woestijnachtige gebieden. Langs de grens met Chili
liggen rijen vulkanen met de hoogste berg/vulkaan
van Bolivia, de Sajama (6700 meter). Het laagste
punt van Bolivia ligt bij de Rio Paraguay (90 meter
boven zeeniveau).
De hoogvlakte (Altiplano) grenst in het noorden aan
het Titicaca-meer en in het zuidwesten aan een
gebied met woestijnen en zoutmeren. Het
Titicaca-meer ligt 3810 meter boven de zeespiegel,
heeft een oppervlakte van 8800 km2, is tot 400 meter
diep en is het hoogst bevaarbare meer ter wereld.
Dwars door het meer loopt de grens met Peru. De
Altiplano heeft in een zeer ver verleden onder
zeeniveau gelegen. Bewijzen daarvoor zijn de vele
fossiele schelpen, koralen en zeedieren die gevonden
zijn. In het oosten liggen middelhoge bergmassieven
met diepe, door rivieren uitgeslepen dalen (yungas).
Ten zuiden hiervan gaat dat gebied over in een
valleiengebied (valles) die nog altijd op 2000 à
3000 meter hoogte liggen. Het noordelijke gedeelte
van de laagvlakte behoort tot het stroomgebied van
de Amazone. Hier vinden we regenwoud (Oriente) dat
naar het zuiden overgaat in een savanne-achtig
landschap met grasvlaktes (pampas). In het
zuidwesten liggen uitgestrekte salpeterwoestijnen en
zoutmoerassen.
De Andesmassieven verdelen Bolivia in klimaatzones en zijn voor
het klimaat dé bepalende factor. In het noordelijk
gelegen Amazonegebied is het klimaat tropisch en
vochtig, in het zuidoosten is het droog en heet, in
de valleien is het vrij koel en in het hoogland is
het koud. Het regenseizoen valt in de zomer, van
december tot april. De winter die van mei tot
augustus duurt, is het droge seizoen.
Een andere manier om het klimaat globaal in te delen is de hoogte
waarop dorpen en steden gelegen zijn. Boven de 4000
meter is het meestal koud (tierra fría), ’s nachts
zelfs tot –20°C. Tussen de 2000 en 4000 meter is het
gematigd warm tot koud. Tussen de 1500 en 2500 meter
is het vaak aangenaam subtropisch weer (tierra
templada). Beneden de 1000 meter is het over het
algemeen tropisch warm (tierra caliente).Op de
oostelijke bergketen, de Cordillera Oriental, valt
de meeste sneeuw en behoorlijk veel regen op de wat
lagere delen. Op de westelijke bergketen, de
Cordillera Occidental, valt zeer weinig neerslag.
Door de constante temperatuur (9°C) van het
Titicaca-meer heerst er rond dit meer een mild
klimaat. In het zuiden en de zuidwesthoek van het
land wordt het steeds kouder en kan het ’s winters
streng vriezen. In het hoge Andesgebergte is de
winter, die van mei tot september duurt, zonnig en
droog. Op 4000 meter hoogte is het 10-15°C, maar
voelt het door de felle zon warmer aan. ’s Nachts
daalt de temperatuur tot onder het vriespunt. De
gemiddelde zomertemperatuur ligt vaak maar enkele
graden hoger dan in de winter doordat het ’s zomers
vaak regent en bewolkt is. La Paz ligt bijvoorbeeld
op 3658 meter hoogte; in januari is het gemiddeld
10°C en in juli 7°C; er valt gemiddeld 572 mm
neerslag per jaar.
In de dalen tussen de in het oosten liggende
middelhoge berggebied is het zeer regenachtig en
subtropisch warm. Dit gebied gaat over in valleien
(valles) met minder regen, en dan alleen nog in de
regentijd van december tot april. In de laagste
dalen van het Andesgebergte is het tropisch warm. In
de laaglanden heerst een tropisch, vochtig klimaat.
Het vriest hier nooit, maar het kan wel ineens sterk
afkoelen als de Surazo waait, een koele zuidenwind.
Ook hier valt de meeste regen in de zomer en dat kan zelfs tot
grote overstromingen leiden doordat de rivieren de
grote hoeveelheden water niet kunnen verwerken.
Concepción ligt op 490 meter hoogte; in januari is
het gemiddeld 24°C en in juli 20°C; er valt
gemiddeld 1141 mm neerslag per jaar. Doordat Bolivia
op het zuidelijk halfrond ligt, is het bij ons zomer
als het daar winter is en omgekeerd.
De Amazonevlakte in het
noordwesten bestaat uit tropisch regenwoud, evenals
het moerassige gebied in het zuidoosten. In het
zuiden ligt tussen de puna- páramo- vegetatie en het
llanogebied een streek met Sierra-vegetatie dat wil
zeggen doornstruiken en cactussen en in hogere delen
altijdgroen bos. Het Andesgebied bezit een
puna-vegetatie. Het llano-gebied bezit een
savannevegetatie, de hoogvlakte heeft gedeeltelijk
een páramo-vegetatie en gedeeltelijk een puna-
vegetatie. In de jungle groeien nog steeds de steeds
zeldzamer wordende mahoniebomen. Verder cacao- en
rubberbomen, de bibosí en veel palmensoorten. In
ondiepe meren komt de schitterende Victoria Regia
voor. Op de Altiplano groeit niet zoveel door de kou
en de geringe neerslag: lage struiken, cactussen,
vetplanten, mossen en gele graspollen. Opvallend is
de yareta, die boven de 4000 meter groeit en
honderden jaren oud kan worden. De keñua is een
boomsoort die zich zelfs tot 5200 meter hoogte
staande kan houden.
De Yungas (oostelijke berghellingen)
zijn voor een groot gedeelte bedekt met nevelwouden
en verder varens, bergbamboe en uiteindelijk
subtropisch bos met orchideeën, bromelia’s en
palmen. Onder de reusachtige bomen van het tropisch
regenwoud groeien veel kleine bomen en lianen en op
de bodem o.a. varens, begonia’s en paradijsbloemen
of heliconia’s.
De meest bijzondere plant van Bolivia is de Puya
Raimundi, de grootste vetplant van de wereld met een
bloemstengel tot 12 meter lengte. Voordat deze plant
bloeit gaan er honderd jaar voorbij. Van de
gecultiveerde planten is de aardappel de bekendste.
In de Andes komen meer dan 200 soorten voor. Een
andere plant die belangrijk is voor de
voedselvoorziening is de yuca, die in de laaglanden
wordt verbouwd. Ook maïs en quinoa worden voor de
voedselvoorziening geteeld.
De bekendste groep dieren van het Andesgebergte zijn de
kameelachtigen: de guanaco, de vicuña, de alpaca en
de lama. De guanaco en de vicuña leven in het wild,
de lama en de alpaca zijn tot huisdieren gemaakt.
Zij worden gebruikt als lastdier en voor het vlees
en de wol. De vicuña is een beschermd dier en er
leven in Bolivia nog ongeveer 2000 exemplaren.
Andere bijzondere dieren in het Andesgebergte zijn
de viscacha, een grote chinchillasoort met een
opvallend lange staart, de zeldzame brilbeer of
Andesbeer en de condor, een roofvogel met een
spanwijdte van drie meter die een grote rol speelt
in de Boliviaanse mythologie. Verder nog de rhea,
een nandoesoort (struisvogelsoort), en de zeer
zeldzame James-flamingo. Veel voorkomende
watervogels zijn Andesganzen, ibissen, kluten, futen
en meerkoeten. Kolibries en papegaaien komen zelfs
boven de 4000 meter nog voor en op grote hoogte
leven ook nog bergtoekans. Zoogdieren in het
Andesgebergte zijn o.a. de bergocelot en de poema,
de wilde marmot en de armadillo, een gordeldier. De
tropische laagvlakte herbergt zeer veel dieren
waaronder bekende dieren als de panter, de jaguar,
de tapir, de javelí of navelzwijn en de anaconda,
een reusachtige wurgslang. Apensoorten die voorkomen
zijn brulapen, slingerapen en doodshoofdaapjes.
Kleinere zoogdieren zijn neusberen, agouti’s
(knaagdier), miereneters, otters en luiaards. In de
pampagebieden leven in de rivieren o.a.
waterschildpadden, roze zoetwaterdolfijnen en
alligators. De capibara is het grootste knaagdier
ter wereld. De grote jabira is een ooievaarachtige
en is door zijn kleuren een opvallende verschijning.
Verder komen in tropisch Bolivia nog hoatzins,
sterns, aalscholvers, slangehalsvogels en
verschillende soorten ijsvogels voor. Van de
vlindersoorten is de grote blauwe morpho de
opvallendste, naast prachtige passiebloem- en
pagevlinders. In het Titicaca- meer komen zalm,
forel en koningsvis of pejerrey voor. De avifauna
behoort tot de rijkste ter wereld. Er komen ca. 1200
soorten vogels voor; een merkwaardige kortvleugelige
fuut komt alleen maar voor in de buurt van de
bergmeren Titicaca en Poopó. Door de tropische
harthoutindustrie en het kappen en platbranden voor
de landbouw verdwijnen er jaarlijks vele duizenden
hectares bos. Maar een klein percentage wordt tot nu
toe herbebost. De erosie en de uiteindelijke
woestijnvorming vormt een grote bedreiging voor de
planten- en dierenwereld.
De laatste jaren wordt hier door de regering wel
meer aandacht aan besteed. De nationale parken zijn
moeilijk te bereiken, maar zouden wel een bron van
inkomsten kunnen worden i.v.m. het toerisme.
Aangenomen
wordt dat de oorspronkelijke bewoners van het
Amerikaanse continent, de indianen, tienduizenden
jaren geleden vanuit Azië overstaken naar Amerika.
Nog eens duizenden jaren later was het hele
Amerikaanse continent bewoond. Ook neemt men aan dat
er ook nog andere volken naar Amerika kwamen.
Opvallend in dat verband zijn de overeenkomsten
tussen de Andestalen Aymará en Quechua en het
Polynesisch. Ook uiterlijk zijn er duidelijke
overeenkomsten. Menselijke bewoning in de Andes
dateert al minstens van 13.000 voor Chr., o.a. de
Vizcachani-cultuur. Deze nomadisch levende stammen
gingen pas vanaf 6000 voor Chr. over op landbouw en
veeteelt. Van de levenswijze van deze oude culturen
is verder weinig bekend. Deze hele periode tot
ongeveer 3000 voor Chr. wordt ook wel de
prekeramische periode genoemd. De keramische
periode duurde van 3000 voor Chr. tot ongeveer 1500
na Chr. Van deze periode is veel meer bekend
geworden door met symbolen en decoraties
beschilderde potten, vazen maar ook mooie weefkunst
vertelt veel over de geschiedenis van de
verschillende culturen. De belangrijkste cultuur in
Bolivia uit die tijd is de Tiwanaku- cultuur
geweest. Deze cultuur kenmerkte zich door de voor
die tijd al zeer gespecialiseerde landbouwmethodes
die overvloedig voedsel opleverden. Dit is
waarschijnlijk ook een van de redenen dat deze
machtige cultuur zolang toonaangevend bleef in deze
regio. De plotselinge verdwijning van deze cultuur
in het begin van de 12e eeuw is tot op de dag van
vandaag een raadsel, maar had waarschijnlijk te
maken met klimatologische omstandigheden. Er
bestonden nog enkele andere, kleinere culturen in
het toenmalige Bolivia waaronder de Beni in de
tropische laagvlakte, de Kolla cultuur rond het
Titicaca-meer, de Wankarani en Chiripa. De Wankarani
hebben vierkante graftorens nagelaten en de Kolla
gigantische ronde graftorens.
Het Inca-rijk
Vanuit de hoofdstad Cusco in Peru kwam Bolivia onder
het gezag van de Inca’s (1200-1500 na Chr.). De taal
van de Inca’s, het Quechua, moest door elke
onderdaan gesproken worden en is nu nog steeds één
van de officiële talen van Bolivia. Het Inca-rijk
was verdeeld in vier gebieden waarvan Collasuyo een
groot deel van Peru, geheel Chili, een stukje
Noord-Argentinië en het huidige Bolivia omvatte. De
Inca’s legden wegen aan en bouwden aquaducten,
terrassen, forten en tempels. Ook ontstonden er
grote steden in de vlaktes. Uiteindelijk waren 43
verschillende volken Inca-onderdanen geworden. De
Inca-bezetting van Bolivia zou uiteindelijk maar 70
à 80 jaar duren. Rond 1520 brokkelde het Inca- rijk
langzaam af door o.a. interne conflicten.
Spaanse veroveraars (conquistadores)
|
|
In 1532 kwam een expeditie onder leiding van de Spanjaard
Francisco Pizarro (vermoord in 1538) aan de
noordkust van Peru aan wal. De laatste
Inca-vorst Atahualpa werd gedood en
betrekkelijk snel werden grote delen van het
Zuid- Amerikaanse continent veroverd.
Bolivia heette toen nog Alto-Perú
(Opper-Peru) en werd bij het
onderkoningschap Peru gevoegd. Op en rond de
hoogvlakte weren steden gesticht en nog
later werd ook het tropisch laagland
gekoloniseerd. Na de ontdekking van
zilvervoorraden werd in 1545 de stad Potosí
gesticht die al snel uitgroeide tot de
grootste en rijkste stad van de Nieuwe
Wereld (Noord- en Zuid-Amerika) met 200.000
inwoners. Het werd door de Spanjaarden “La
ville imperia”, de keizerlijke stad genoemd.
Het encomienda-systeem werd door de
Spanjaarden toegepast. Dit betekende dat de
conquistadores land dat veroverd werd zoveel
als ze konden, mochten exploiteren. De
opbrengsten werden gedeeld tussen de
conquistadores en de Spaanse Kroon. Een
andere voorwaarde was dat de indiaanse
bevolking tot het christendom bekeerd moest
worden. De indianen werden o.a. in de mijnen
tewerkgesteld en moesten onder afschuwelijke
omstandigheden hun werk doen. Tegen het
einde van de zestiende eeuw liep de
indiaanse bevolking al schrikbarend terug;
miljoenen indianen vonden de dood door de
dwangarbeid. Door de werkomstandigheden in
de mijnen maar ook door het uitbreken van
door de Europeanen meegebrachte
besmettelijke ziektes, was de indiaanse
bevolking rond 1650 bijna gehalveerd tot een
half miljoen personen. Door het tekort aan
arbeidskrachten werd er al snel op grote
schaal slaven uit Afrika geïmporteerd.
Monniken van de Jezuïetenorde, en later de
Franciscanen, hielden zich de eerste 200
jaar bezig met het bekeren van de indianen
tot het christendom. In de loop der eeuwen
vermengde zich het rooms-katholieke geloof
met de traditionele rituelen en gebruiken.
In 1548 werd La Paz gesticht en nog wat
later steden als Cochabamba en Oruro.
Na vijandige acties van indianen in het oosten en noordoosten
werd er voor het eerst door de Spanjaarden
rond 1560 enige vorm van zelfbestuur
toegestaan. De 18e eeuw werd gekenmerkt door
een toenemend verzet van de indianen tegen
de Spaanse overheersing. Zo leidde in 1780
Tupac Amaru een opstand van de Quechua en de
Amayá tegen de koloniale regering. Ze werden
echter verslagen en hun leiders werden
vermoord. Tupac Katani belegerde La Paz
later zelfs twee keer, maar ook hij werd
uiteindelijk gedood. Toch zou het niet lang
meer duren voordat Bolivia onafhankelijk
werd. |
|
|
Bolivia onafhankelijk
De macht van de Spanjaarden in Europa en dus ook in
Zuid-Amerika brokkelde af doordat Napoleon Spanje
binnenviel. Onder de criollo’s, de blanke Zuid-
Amerikanen ontstonden al snel verschillende groepen
van personen die zich voor de onafhankelijkheid
uitspraken o.a. doordat de Spanjaarden de belangen
van het moederland steeds voorop stelden. De
belangrijkste was Símon Bolívar (1783- 1830) die
samen met zijn maarschalken José de Sucre en José
San Martín vanaf 1810 met zijn militaire leger bijna
alle Spaanse kolonies bevrijdde. In april 1825
versloeg Sucre de Spanjaarden in Opper-Peru bij de
slag van Tumusla en op 6 augustus 1825 werd de
onafhankelijkheid van de “República de Bolívar”
uitgeroepen, de naam uiteraard als eerbetoon aan de
vrijheidsstrijder Bolívar. Later zou de naam Bolívar
in Bolivia veranderen.
Bolívar en Sucre waren de eerste twee presidenten
van Bolivia. Vele presidenten en regeringen zouden
hen opvolgen in dit politiek onrustige land. Tussen
1825 en 1994 vonden er 194 regeringswisselingen
plaats; meer dan de helft daarvan waren militaire
regeringen (dictaturen) terwijl ook de
rooms-katholieke kerk een grote rol speelde in de
binnenlandse politieke aangelegenheden. Ook heeft
Bolivia sinds 1825 16 verschillende grondwetten
gekend. De mijnen en de gemeenschappelijke
landbouwbedrijven kwamen in handen van de blanken
waardoor de indiaanse boeren en mijnwerkers als
slaven behandeld werden.
Bolivia verliest veel grondgebied aan buurlanden
Opmerkelijk in de geschiedenis van Bolivia is het
verlies van veel grondgebied aan de buurlanden.
Sinds de onafhankelijkheid in 1825 is de oppervlakte
van Bolivia ongeveer gehalveerd. Zo had Bolivia
samen met Peru tot 1884 een groot stuk grondgebied
in het noorden van het huidige Chili. Belangrijk
voor Bolivia dat het stuk land grensde aan de Stille
Oceaan. Beide landen raakten van 1879 tot 1884 in
oorlog met Chili en verloren uiteindelijk het gebied
aan de Chilenen. Deze oorlog wordt de
“salpeteroorlog” genoemd omdat er ook gestreden werd
om de rechten op het winnen van zout en koper in het
kustgebied. Vanaf die tijd heeft Bolivia geen open
verbinding meer met de oceaan. Bolivia mocht nog wel
een spoorlijn aanleggen die van La Paz naar de
havenplaats Arica liep, waar Bolivia tegen betaling
gebruik van kon maken.
Brazilië annexeerde rond de eeuwwisseling in het
noorden van Bolivia de rubberstreken van Acre. Ook
hier kreeg Bolivia als genoegdoening het recht om
een spoorlijn aan te leggen, van Riberalta in
Bolivia naar Rio Madeira. Onder het bewind van de
presidenten Pando (1899-1904), Montes (1904- 1909 en
1913- 1917) en Villazon (1909-1913) beleefde het
land een economische opbloei, doordat de
grondstoffen rubber en tin gedurende de Eerste
Wereldoorlog op de wereldmarkten hoge prijzen
noteerden. In 1917 verbrak Bolivia de betrekkingen
met Duitsland, maar het nam niet actief deel aan de
oorlog.
Tussen 1928 en 1935 woedden de Chaco-oorlogen tussen
Bolivia en Paraguay. Men vermoedde olie in het
noorden van Paraguay (Gran Chaco). De
oliemaatschappijen Standard Oil Company(Bolivia) en
Shell (Paraguay) speelde een grote rol in deze
oorlog om concessies. Tienduizenden Bolivianen
werden gedood, en het navrante was dat er nooit
aardolie in de Gran Chaco gevonden is. De armoede
onder de bevolking nam na dit echec toe en er werden
nieuwe politieke partijen en vakbonden opgericht. De
petroleumindustrie was in die tijd bijna geheel in
handen van de Standard Oil Company en de tinmijnen
in handen van drie families (Hochschild, Patiño en
Aramays). Tot grote economische ontwikkeling of
sociale vooruitgang leidde dit echter niet. Eind
jaren twintig moest jaarlijks meer dan de helft van
het nationale inkomen worden besteed aan het
terugbetalen van schulden. Dit leidde in 1936 tot
een revolutie.
Burgeroorlogen, conflicten, stakingen, opstanden
President
Toro probeerde een staatssocialisme in te voeren,
maar hij stuitte op verzet van de in Bolivia
aanwezige buitenlandse bedrijven. Een van zijn
opvolgers, generaal Peñaranda werd in 1943 door
nationalistische groeperingen ten val gebracht.
Tijdens een opstand in juli 1946 werd de opvolger
van Peñaranda, Villaroel, door een woedende
volksmenigte vermoord. In januari 1947 werd de
rechtse socialist Hertzog tot president gekozen.
Zijn partij bezat in het parlement geen meerderheid
en voortdurend probeerde de Nationalistische
Revolutionaire Beweging de macht in handen te
krijgen. Deze twisten ontaardden in 1949 in een
burgeroorlog, maar door de steun van het leger wist
Hertzog zich te handhaven.
De opstand werd onderdrukt, maar door de felle
kritiek op zijn beleid was Hertzog gedwongen af te
treden.
Tijdens de revolutie van 1952 versloeg de nationale garde samen
met de mijnwerkers het leger. De macht kwam in
handen van Victor Paz Estenssoro. Het leger nam de
macht echter in handen voordat hij zijn functie kon
aanvaarden. Na een volksopstand van enkele dagen
versloegen in april 1952 de volksmilities onder
leiding van Hernán Siles Zuazo het leger. Estenssoro
werd geïnstalleerd als president en voerde
belangrijke sociaal-politieke hervormingen door en
maakte een einde aan de macht van enkele machtige
families door grote tinmijnen te nationaliseren. In
1952 werd ook het algemene stemrecht ingevoerd en
het feodale systeem van grootgrondbezit werd
afgeschaft.
Alle boeren kregen wat land, maar deze versnippering
leidde tot nog grotere armoede onder de boeren en
een grotere trek naar de steden.
Bij de
verkiezingen van 1956 behaalde de MNR een
overweldigende meerderheid van stemmen; Siles Suazo
werd president. Opstanden en stakingen waren
gedurende zijn bewind aan de orde van de dag en
vrijwel constant verkeerde het land in een
noodtoestand. De verkiezingen van 1960 brachten Paz
Estenssoro weer aan de macht. In 1963 raakte
president Estenssoro in conflict met de
vice-president, Lechín, die ook leider was van de
mijnwerkersvakbond. Dit bracht hem het ongenoegen
van de mijnwerkers op de hals. Ondanks de vele
kritiek op zijn beleid werd Paz Estenssoro in mei
1964 herkozen als president, maar na een opstand van
het leger werd de macht in handen genomen door de
vice-president, generaal R. Barrientos Ortuño.
Tijdens zijn regeringsperiode werd de bekende
vrijheidsstrijder Ernesto Che Guevarra
gevangengenomen en vermoord omdat men dacht dat hij
een boerenopstand aan het voorbereiden was.
Barrientos stierf in 1969 en werd opgevolgd door de
opperbevelhebber van de strijdkrachten, Ovando.
Bolivia onder het juk van dictators
In 1971 volgde alweer een staatsgreep waarna
generaal Hugo Banzer aan de macht bleef tot 1978.
Tijdens zijn regime werden universiteiten gesloten, vakbonden en
politieke partijen verboden en tienduizenden mensen
zonder vorm van proces opgepakt. Van kerkelijke
zijde werd geprotesteerd tegen het veelvuldig
schenden van de mensenrechten in Bolivia. Het
politieke verzet tegen Banzer kwam zowel van links
als van rechts.
In juni 1974 gingen linkse officieren tot opstand
over, waarop Banzer o.m. parlementsverkiezingen
toezegde, die hij zelfs wettelijk liet vastleggen.
Inmiddels was het duidelijk geworden dat Banzer
geheel afhankelijk was geworden van de rechtse
officieren: onder hun druk stelde hij ook de plannen
voor verkiezingen voor een vijftal jaren uit. Na
Banzer volgden een hele serie dictators (caudillos)
met als dieptepunt generaal García Meza, wiens
bewind gekenmerkt werd door martelingen, moorden,
connecties met de drugshandel en uiteindelijk een
praktisch failliet Bolivia.
De democratie keert terug
In 1982
werd de macht door de militairen aan een
burgerregering onder leiding van Hernán Siles Zuazo
overgedragen. Bolivia was op dat moment volledig
failliet en de periode Zuazo werd dan ook gekenmerkt
door een gigantisch geldontwaarding, veel sociale
onrust, stakingen, hoge werkloosheid en een steeds
groter wordende buitenlandse schuld. In 1984 bedroeg
de inflatie gemiddeld 3% per uur!! Bolivia was op
dat moment al een belangrijke cocaïneproducent maar
in deze moeilijke tijden werd de lucratieve handel
(in harde dollars) steeds belangrijker voor de
economie van het land.
Vanaf 1982
probeerden de Amerikanen in ruil voor economische
hulp de cocaïnehandel in Bolivia onder controle te
krijgen. Estenssoro won in 1985 opnieuw de
verkiezingen en nam een aantal rigoureuze
maatregelen om de economie weer wat op te krikken.
Zo werden overheidsuitgaven gedecentraliseerd en
zwaar verliesgevende staatsondernemingen gesloten of
geprivatiseerd. Het gevolg was wel dat er vele
mijnen gesloten werden en er tienduizenden
mijnwerkers zonder werk kwamen te zitten. Ook de
onverwachte ineenstorting van de wereldtinmarkt in
1985 kostte veel werknemers hun baan. Op dat moment
leefde 90% van de bevolking onder de armoedegrens.
In 1989 werd vice- president Jaime Paz Zamora tot
president gekozen. Hij regeerde samen in een
coalitie met de ex-dictator Hugo Banzer, die vreemd
genoeg tijdens zijn vorige bewind verantwoordelijk
was voor een aanslag op linkse politici, waarbij
Zamora ternauwernood aan de dood ontsnapte. In juli
1993 kreeg Bolivia van Peru tot het jaar 2091 via
een concessie een smalle toegang tot de Grote
Oceaan. In 1993 kwam de populaire Gonzalo Sánchez de
Lozado aan de macht en hij ging een coalitie aan met
Hugo Cardenas, een Aymará- indiaan van de indiaanse
partij MRTKL, waardoor een gedeelte van de indiaanse
bevolking rechtstreeks in het parlement was
vertegenwoordigd. Zij voerden een economisch
hervormingsprogramma, o.a. een zeer ambitieus
privatiseringsprogramma, met daaraan verbonden vele
sociale maatregelen (Plan de Todos),
decentralisatie, onderwijshervormingen en
grondwetswijzigingen. Ook zette men een programma op
ter verbetering van de positie van de indiaanse
bevolking, o.a. door tweetalig onderwijs toe te
staan. Het lukte hem echter niet om nog een tweede
termijn aan de regering te komen.
Op 6 augustus 1997 werd ex-dictator Hugo Banzer
beëdigd als president. Hij trok vooral veel kiezers
die hoopten dat met hem de economische groei uit de
jaren ’70 weer zou terugkeren. Tegenstanders van
Banzer waren mensenrechtenactivisten die vonden dat
hij voor zijn verleden moest boeten. Zij waren ook
bang dat het militarisme weer zou terugkomen. Een
van zijn eerst daden leek dat te bevestigen: het
vernietigen van cocavelden met behulp van het leger.
Een van zijn beloftes in de verkiezingsstrijd was
namelijk dat alle illegale cocavelden in vijf jaar
tijd vernietigd zouden worden. In 1998 werd er meer
dan 11.000 ha vernietigd. Verder profiteerde hij
vooral van het hervormingsprogramma van zijn
voorganger Sánchez de Lozado.
In april 2000 waren er gewelddadige protesten tegen
de voorgenomen privatisering van de
drinkwatervoorziening waardoor de prijs van water
met 35% steeg. De situatie liep zodanig uit de hand
dat de regering de noodtoestand liet uitroepen. Op
27 juli 2001 trad president Banzer vanwege
gezondheidsproblemen af. Hij werd opgevolgd door
vice-president Quiroga.
Na weken van sociale onrust, die 60-80 mensen het
leven zou hebben gekost, trad president Sánchez de
Lozada in oktober 2003 af. Als nieuwe president werd
vice-president Carlos Mesa benoemd. Sánchez de
Lozada week uit naar de Verenigde Staten, die hem
altijd nadrukkelijk gesteund hadden.
Begin juni 2005 kondigde president Mesa verkiezingen
aan voor een constitutionele raad die de grondwet
moest herzien. Ook zou er een referendum komen over
meer autonomie voor de olierijke provincias in het
oosten en zuiden van het land. Mesa hoopte zo een
einde te maken aan de gewelddadige protesten, de
wegblokkades en een 48-uursstaking die het transport
in het hele land lamlegde. De betogers eisten
nationalisering van de olie- en gaswinning. Vooral
de arme westelijke provincies, waar veel arme
indianen wonen, wilden een groter deel van de
opbrengsten.
De presidentsverkiezingen van december 2005 werden
gewonnen door de linkse 'indígena' (inheemse
indiaan) Evo Morales Ayma. Hij won met ruim 51% van
de stemmen en werd de eerste indiaanse president van
Bolivia. De oude politieke orde werd bij deze
verkiezingen door de kiezers weggevaagd. er volgt
een periode van nationationalisatie van onder meer
de gasindustrie. In mei 2008 stemt morales toe in
een referwendum over zijn leiderschap in augustus,
indien hij het refendum verliest volgen nieuwe
verkiezingen.
Economie en Toerisme
Algemeen
Bolivia
heeft een gebrekkige infrastructuur, geen uitgang
naar zee, een onevenwichtige sociale structuur,
slecht opgeleid personeel en zowel binnenlands als
vanuit het buitenland wordt er weinig in het land
geïnvesteerd en dit zijn natuurlijk allemaal
belemmeringen voor de economische ontwikkeling.
Gemeten naar het zeer lage bruto nationaal product
(bnp) per hoofd van de bevolking ($ 800 in 1997) is
Bolivia een van de armste landen van Latijns-
Amerika. De buitenlandse schuld bedroeg in 1999 $5,7
miljard. Tachtig procent van de bevolking leeft
onder de armoedegrens en de boerenbevolking op het
platteland zelfs 97%. Tot het begin van de jaren
tachtig kende Bolivia een periode van langzame
economische groei. Dit leidde tot een hyperinflatie
(geldontwaarding) van meer dan 11.000% in 1985!!.
Een streng bezuinigings- en saneringsprogramma
leidde vanaf 1986 tot een geringere inflatie van 7%
in 1997, maar ook tot een daling van het levenspeil
voor een groot deel van de bevolking. Tussen 1981 en
1988 daalde het bnp per hoofd van de bevolking met
26,3%. Verder zijn er ook nog de illegale inkomsten
uit cocaïne, die niet te verwaarlozen zijn,
integendeel. Men schat deze inkomsten op ca. $600
miljoen per jaar en andere lucratieve
smokkelactiviteiten worden geschat op 15% van het
bnp. Door het verloren gaan van veel arbeidsplaatsen
in de diverse economische sectoren is de
werkgelegenheid in de informele sector enorm
toegenomen. Een groeiend gedeelte van de bevolking
verdient geld met straathandel, schoenen poetsen,
loten verkopen, geld wisselen en taxi-rijden met de
eigen auto
De belangrijkste sectoren zijn de handels-,
transport- en dienstensector. De landbouw blijft
hier ver bij achter. Officieel is meer dan 20% van
de beroepsbevolking werkloos, maar in feite zal dit
cijfer veel hoger uitvallen door de verborgen
werkloosheid, vooral op het platteland. Men hoopt
dat de economische groei aantrekt door o.a. een
nieuwe pijplijn voor de export van gas naar
Brazilië. Verder worden er nog steeds nieuwe
aardgasvelden ontdekt. In september 1998 keurden de
Wereldbank en het IMF een pakket van
schuldkwijtschelding goed ter hoogte van $760
miljoen. Bolivia is daarmee het tweede land dat kon
profiteren van een speciaal programma voor lage-
inkomenslanden met hoge schulden. Bolivia is sterk
afhankelijk van ontwikkelingshulp. In 1997 ontving
Bolivia $588 miljoen aan ontwikkelingsgelden.
Landbouw, bosbouw en visserij
Ongeveer
20% van het landoppervlak is in beginsel geschikt
voor akkerbouw, maar hiervan is slechts 3% in
gebruik. In de oostelijke laagvlaktes, met name rond
Santa Cruz, vinden we grootschalige, industriële
landbouwprojecten bedoeld om de export te
bevorderen. Daar worden een half miljoen hectares
met sojabonen, tarwe, gerst, maïs, zonnebloemen,
rijst, suikerriet en katoen verbouwd. De
klimatologische omstandigheden zijn daar zo goed dat
er twee keer geoogst kan worden. Het lukt echter nog
niet om dit goed van de grond te krijgen.
In de berggebieden en op de hoogvlakte wordt veel
voor eigen gebruik geproduceerd. Wat overblijft
wordt verhandeld of geruild. Belangrijke agrarische
gebieden zijn: de Altiplano, (aardappelen, quinoa,
gerst en bonen), de Yungas, de noordoostelijke
helling van de Cordilleras (tarwe, maïs, bananen,
groenten, citrusvruchten, koffie, cacao en coca), de
oostelijke Llanos (suikerriet, katoen en rijst) en
het tropisch regenwoud (houtsoorten, rubber en
kinabast).
Vanaf de jaren zeventig is de van oudsher door
indianen verbouwde coca het belangrijkste
landbouwgewas geworden. Om in de traditionele
behoefte te voorzien is de teelt van coca toegestaan
door de regering. De productie van coca overstijgt
echter de binnenlandse vraag vele malen. Het
overschot wordt gebruikt om cocaïne te maken. In
1984 werd naar schatting 75% van de cultuurgrond
gebruikt voor de verbouw van cocaplanten. Ca.
300.000 mensen vinden een bestaan door het verbouwen
van coca. De illegale handel levert ongeveer de
helft op van totale export. Toch kijkt men naar
andere manieren om de coca te verbouwen, b.v. als
medicinaal product.
Ook probeert men de cocaplantages te vervangen door
lucratieve fruitplantages.
Sinds 1987 krijgt Bolivia van de Verenigde Staten financiële
steun om het areaal coca te verminderen. Boeren die
hieraan meewerken worden financieel gecompenseerd.De
landbouw staat over het algemeen technologisch op
een laag peil en de sterke versnippering van het
grondbezit, vooral op de Altiplano en in de dalen,
vormt nog steeds een groot probleem. Bovendien staan
de veelal gebrekkige transportmogelijkheden, de
bodemerosie en de extreme weersomstandigheden een
verdere ontwikkeling van de landbouw in de weg. Toch
werkt in de landbouw ca. 45% van de
beroepsbevolking.Veehouderij wordt steeds
belangrijker, vooral de zuivelproductie in de buurt
van Cochabamba; verder worden als lastdieren en voor
de wol schapen, vicuña's en andere kameelachtigen
gehouden op de Altiplano. Runderen en varkens worden
vooral gehouden in de Llanos. Het departement Beni
spant met zo’n 1,3 miljoen stuks vee de kroon. Het
grootste deel van de vleesproductie is bestemd voor
de binnenlandse markt, en dan vooral voor de grote
steden. In 1996 bestond de veestapel uit ca. 6
miljoen runderen, 300.000 paarden, 700.000 ezels en
muilezels, 2,5 miljoen varkens, 8 miljoen schapen,
1,5 miljoen geiten en 59 miljoen kippen.
De bosbouw levert hardhout, rubber en kina. Bossen
beslaan ca. 45% van het totale landoppervlak. De
houtproductie bedroeg in 1997 ca. 2,3 miljoen m3.
Visserij op het Titicaca-meer en enkele andere meren
en rivieren levert een kleine bijdrage aan het
voedselpakket. In 1997 werd er in totaal meer dan
6000 ton vis gevangen. Zeevis wordt ingevoerd uit
Peru en Chili.
Mijnbouw
Traditioneel vormde de mijnbouw de basis van de
Boliviaanse economie. Tot 1979 was Bolivia na
Maleisië de grootste tinproducent ter wereld. Vanaf
1985 daalde de wereldmarktprijs snel en viel de
tinproductie tot eenderde terug. De verouderde
Boliviaanse mijnen zijn door hun lage productiviteit
en het lage tingehalte van het erts niet langer
rendabel te exploiteren. Ook de geïsoleerde ligging,
het gemis van een eigen haven en de gecompliceerde
winning van mineralen en delfstoffen zorgde er o.a.
voor dat de winning van zilver en tin niet meer
loonde. Vanaf 1985 zijn veel tinmijnen gesloten of
geprivatiseerd. Privatiseren betekende in dit geval
dat een aantal mijnwerkers voor eigen rekening ging
werken en zo ontstonden er duizenden kleine
ondernemers die zich met het winnen van tin, zilver
en goud gingen bezighouden. Meer dan de helft van de
tinproductie is afkomstig uit de mijnen ten zuiden
van Oruro; de mijn van Catavi bij Llallagua is nog
steeds de grootste tinmijn ter wereld.
Andere belangrijke minerale delfstoffen zijn lood,
zink, koper, antimoon, goud, zilver, wolfram en
bismut.
De in 1952
opgerichte staatsmaatschappij COMIBOL exploiteerde
tot halverwege de jaren tachtig naast de grootste
tinmijnen de meeste vindplaatsen van andere minerale
ertsen. De export van vaste delfstoffen vormt nog
steeds de belangrijkste bron van buitenlandse
deviezen. Hoewel de mijnbouw nog steeds de
ruggengraat van de Boliviaanse economie vormt, werkt
slechts 5% van de beroepsbevolking is de mijnbouw.
Voorts is er winning van aardolie en aardgas. De
belangrijkste aardolievelden liggen in de omgeving
van Camiri en ten zuiden hiervan tot aan de grens
met Argentinië. De staatsoliemaatschappij YPFB heeft
alle aardoliewinning onder haar beheer. De
belangrijkste winplaats van aardgas ligt bij Yacuiba
in het zuiden van Bolivia. De winning van aardolie
is de laatste jaren sterk verminderd door uitputting
van de reserves. De productie is daarom nauwelijks
voldoende om aan het binnenlandse verbruik te
voldoen. De winning van aardgas is succesvoller. De
helft van de jaarlijkse productie van ca. 5 miljard
m3 wordt uitgevoerd via pijpleidingen naar
Argentinië en Brazilië. In 1998 werden nieuwe grote
gasvelden ontdekt waardoor Bolivia nog ten minste
gedurende twintig jaar gas aan Brazilië zal kunnen
leveren. Begin jaren negentig zorgde de export van
gas voor veel van de Boliviaanse exportinkomsten.
Industrie
De
industrie is nog weinig ontwikkeld, het is zelfs de
minst ontwikkelde van Zuid-Amerika; de meeste
duurzame consumptiegoederen moeten worden ingevoerd.
Door een gecoördineerd industriebeleid in het kader
van het Andespact en door nauwere samenwerking met
Brazilië probeert Bolivia het nadeel van een kleine
en weinig koopkrachtige binnenlandse markt te
compenseren.
De
belangrijkste industriële activiteiten zij de drank-
en voedselindustrie, smelterijen, metaalindustrie en
aardolieraffinaderijen. De belangrijkste industriële
centra zijn La Paz, Oruro, Santa Cruz en Cochabamba.
De behoorlijk grote energiereserves in de vorm van
waterkracht worden nog onvoldoende benut; in het
midden van de jaren negentig was het geïnstalleerde
vermogen van de elektriciteitscentrales bijna 1000
megawatt. Tweederde van de energie wordt geleverd
door waterkrachtcentrales. Grote delen van het land
hebben nog steeds geen aansluiting op het lichtnet.
Handel
De export
bestaat voornamelijk uit grondstoffen en wat
landbouwproducten. De belangrijkste producten zijn
aardgas (12% van de totale exportwaarde),
delfstoffen (48%), hout (3,4%) en koffie (2,1%). De
(illegale) export van coca in 1995 werd geschat op
$600 miljoen, en dat is ongeveer net zoveel als de
totale legale export. De belangrijkste afnemers zijn
de Verenigde Staten (vooral tin en andere metalen),
Argentinië (vooral aardgas), Groot-Brittannië, Peru
en Colombia. De totale export bedroeg in 1999 $1,1
miljard.
De invoer bestaat vooral uit machines en andere
kapitaalgoederen, duurzame consumptiegoederen,
grondstoffen en halffabrikaten. In 1999 werd er voor
$1,6 miljard aan goederen geïmporteerd. De
belangrijkste importpartners zijn de Verenigde
Staten, Japan, Brazilië, Argentinië, Chili en Peru.
De import en export van goederen gebeurt grotendeels
via de havens van Arica en Antofagasta in Chili,
Mollendo-Matarani in Peru en La Quiaca aan de
Boliviaans-Argentijnse grens.
Verkeer en toerisme
De
gebrekkige transportmogelijkheden vormen een
belangrijk probleem bij de ontwikkeling van Bolivia;
in grote delen van het land is het traditionele
vervoer per muilezel of lama vaak de enige
mogelijkheid. Het spoorwegnet - sinds 1964 door de
staat geëxploiteerd - bestaat uit twee gescheiden
netten, in totaal bijna 3800 km lang, die verbinding
geven met havens in Chili, Peru, Argentinië en
Brazilië. Het “hoogland-systeem” is vooral
belangrijk voor het vervoer van ertsen naar de kust
van de Stille Oceaan; het “laagland-systeem” is zeer
belangrijk voor de ontsluiting van de Oriente, de
tropische gebieden. Om deze twee netten met elkaar
verbinden zou 480 km nieuwe spoorwegen aangelegd
moeten worden. De kosten hiervan bedragen $1,5
miljard, wat natuurlijk veel te veel is voor het
arme Bolivia. Door het verouderde spoorwegnet zijn
vertragingen van meer dan 24 uur geen uitzondering.
Van het ruim 41.000 km lange wegennet is maar een
kwart onder alle weersomstandigheden bruikbaar. De
belangrijkste wegverbindingen zijn de weg van
Cochabamba naar Santa Cruz en het maar gedeeltelijk
verharde deel van de Panamerican Highway, die naar
de grens met Argentinië loopt. In het kader van de
ontsluiting van de tropische gebieden zijn in de
jaren zeventig veel ontsluitingswegen aangelegd. Men
hoopt in 2010 elf internationale snelwegen
gerealiseerd te hebben. Er is verder een zeer
uitgebreid net van autobusdiensten.
Bolivia was een van de eerste landen in
Latijns-Amerika waar het vliegtuig een belangrijk
verkeersmiddel werd. De nationale
luchtvaartmaatschappij Lloyd Aéreo Boliviano (LAB)
verzorgt meer dan 40% van de binnenlandse vluchten.
Het overige deel van de markt wordt bediend door een
reeks van kleine vliegtuigmaatschappijtjes. De
internationale luchthaven van La Paz (El Alto) is de
hoogstgelegen burgerluchthaven ter wereld (4085 m).
Ook Santa Cruz heeft een internationale luchthaven.
Binnenscheepvaart op het Titicaca-meer is van
betekenis voor de verbinding met Peru. Ongeveer
14.000 km bevaarbare rivieren verbinden het noorden
en het oosten van Bolivia met de Amazone. De
belangrijkste rivieren zijn Madre de Dios, Beni,
Mamoré, Guaporé, Pilcomayo en Desaguadero. Zeehavens
mag Bolivia gebruiken in Argentinië en Peru.
Pijpleidingen zijn van groot belang voor het vervoer
van aardolie en aardgas.
Hoewel het aantal toeristen gestaag toeneemt (in
1997 ca. 375.000) zijn de inkomsten daaruit nog niet
van groot belang voor de Boliviaanse economie.
De totale inkomsten uit het toerisme bedroegen dat
jaar $180 miljoen.
Men
hoopt het aantal toeristen en de inkomsten uit het
toerisme binnen enkele jaren op zijn minst te
verdubbelen.
Bevolking
Bolivia telde in 2000 ca. 8.150.000 inwoners. Gemiddeld wonen er
ca. 7,5 inwoners per km2. Driekwart van de bevolking
leeft in de steden en in de valleien van het
Andesgebergte. Ca. 56% van de bevolking bestaat uit
indianen, ca. 30% uit mestiezen van indiaans/blanke
afkomst, ca. 10% van (meest Spaanse) blanke afkomst
en ca. 4% zijn negers en van Aziatische afkomst. 60%
woont in de steden, 20% meer dan in 1976, dus de
verstedelijking neemt in snel tempo toe. De grootste
steden zijn La Paz (ca. 785.000 inwoners), Santa
Cruz ( ca. 767.000), Cochabamba (ca. 449.000), El
Alto (ca. 446.000), Orura (ca. 202.000), de
hoofdstad Sucre (ca. 145.000) en Potosí (ca.
123.000). El Alto, een voorstad van La Paz, is de
snelst groeiende stad van Bolivia. De samenstelling
van de bevolking verschilt van plaats tot plaats: in
La Paz is de helft van de bevolking indiaans en de
bevolking van Santa Cruz bestaat voor driekwart uit
mestiezen en Europeanen. De gemiddelde
levensverwachting in Bolivia is ca. 64 jaar. 41,2%
van de bevolking is jonger dan 15 jaar; slechts 4,3%
is 65 jaar of ouder. Helaas heeft Bolivia de hoogste
zuigelingensterfte van Zuid-Amerika; per 1000 levend
geboren kinderen stierven er in 2000 in het eerste
levensjaar 63,7 kinderen. De bevolkingsgroei bedroeg
in 2000 1,83%. De gemiddelde levensverwachting is
63,7 jaar. De Quechua- en de Aymará- indianen zijn
het grootst in aantal. Er leven ca. 2,5 miljoen
Quechua en ca. 2 miljoen Aymará in Bolivia. De
Aymará leven rond het Titicaca-meer en rond La Paz.
De Quechua wonen met name in de overige gedeelten
van het Andesgebergte. In de laaglanden leven veel
kleinere indianenstammen zoals de Baures en Moxo-
indianen. Een bekende stam zijn de Guaraní die in
het zuiden van Bolivia leven. Nog maar ca. 30.000
indianen leven zoals ze altijd geleefd hebben, de
rest is al beïnvloed door de westerse leefwijzen.
Nomadische groepen worden bedreigd door houtkap,
ziektes en kolonisatie van hun leefgebied. In totaal
leven er 32 indiaanse volkeren in Bolivia. Tot de
revolutie in 1952 was er nog een strenge
rassenscheiding in Bolivia in bepaalde openbare
gelegenheden en stadsdelen. De armoede is zowel op
het platteland als in de steden onder de indianen
het grootst, hoewel de steeds groter wordende groep
stedelijke indianen (cholos) het aanzienlijk beter
heeft dan de indianen op het platteland. Mestiezen
vormen vaak de middenstand en de hogere functies
worden vaak door de blanken bekleed. De negers in
Bolivia stammen rechtstreeks af van de slaven die
eeuwen geleden uit Afrika gehaald werden. Nazaten
van gevluchte Japanse immigranten na de Tweede
Wereldoorlog leven voornamelijk in het departement
Santa Cruz.
Taal
De officiële taal is het Spaans maar het
Zuid-Amerikaanse Spaans dat in Bolivia gesproken
wordt is qua zinsconstructie en uitspraak afwijkend
van het Spaans in Spanje.
Typisch voor het Boliviaans is het veelvuldig
gebruik van verkleinwoorden. Verder zijn er per
streek nog dialectische verschillen. 45% van de
bevolking spreekt alleen Spaans. Bijna de helft van
de bevolking spreekt naast Spaans nog een van de
twee grote indianentalen: het Quechua of het Aymará.
Met name op het platteland wordt door de oudere
Bolivianen een van deze twee talen gesproken. Een en
ander is ook het gevolg van het gebrekkige
onderwijs. Het Quechua was de taal van de vroegere
Inca-overheersers en wordt nog steeds in alle
Andeslanden gesproken, met name in Bolivia en Peru.
In alle landen hebben zich echter verschillende
dialecten ontwikkeld.
De invloed van het Spaans is groot, want veel
Quechua-woorden worden op z’n Spaans uitgesproken.
Het Aymará wordt met name rond La Paz en het
Titicaca-meer gesproken door ca. 2 miljoen indianen.
De Aymará-indianen
zijn afstammelingen van de Tiwanaku-cultuur die in
tegenstelling tot de Quechua hun identiteit wisten
te bewaren tijdens de Inca-overheersing. Verder
bestaan er nog vele indianentalen, o.a. het Guarani
dat nog vrij veel gesproken wordt.
Het Engels is nog niet erg bekend en wordt nog maar
op weinig plaatsen gesproken.
Het Spaans en de indianentalen Aymará en Quechua
verschillen natuurlijk enorm.
Maar ook de tussen deze twee indianentalen onderling
komen grote verschillen voor.
Sinds het begin van de twintigste eeuw is er godsdienstvrijheid,
maar pas in 1961 werd de kerk officieel gescheiden
van de staat. Ongeveer 95% van de bevolking is
rooms-katholiek en ongeveer 1% is protestant. De
indianen vermengden het eigen traditionele
pre-Columbiaanse rituelen met het rooms- katholieke
geloof. De godsdienstige invloed van het
katholicisme op het dagelijks leven is nog steeds
groot, maar de vroegere belangrijke rol in het
politieke leven is grotendeels verdwenen. Naast het
katholicisme en het protestantisme komen er nog
tientallen andere geloofsbewegingen en sektes voor
in Bolivia. In 1994 waren er 64 verschillende
stromingen en sektes actief. De Bahai is de grootste
groep en verder nog o.a. mormonen, baptisten en
Jehova’s. Naast het christelijke geloof en de sektes
bestaat er nog steeds het traditionele geloof,
hoewel deze twee vaak met elkaar verweven zijn. Ook
animistische trekjes komen nog steeds voor en met
name aan natuurverschijnselen worden mysterieuze
krachten toegekend. Zo wordt Maria geïdentificeerd
met Pachamama, de godin Moeder Aarde. De curandero
of yatiri is een medicijnman die nog steeds een
grote rol speelt in het leven van de Boliviaan. Met
behulp van kruiden, mineralen en magie kan hij o.a.
zieken genezen en voorspellingen doen.
De eerste Boliviaanse grondwet dateert al van 1826, nadat het
land een jaar eerder onafhankelijk van Spanje was
geworden. Hoewel Sucre de officiële hoofdstad is van
Bolivia, is La Paz de administratieve hoofdstad en
ook de regering zetelt hier.
De uitvoerende macht in Bolivia’s politieke systeem
ligt bij de president die samen met de
vice-president elke vijf jaar door het volk gekozen
wordt. Na afloop van zijn ambtstermijn is hij niet
direct herkiesbaar. De president benoemt de raad van
ministers. De wetgevende macht (Congreso Nacional)
is verdeeld in twee kamers: de Senaat (Senado) en de
Kamer van Afgevaardigden (Cámara de Deputados). Het
hogerhuis of de Senaat bestaat uit 27 senatoren,
drie uit elk departement, die elk voor vijf jaar
gekozen worden. Het lagerhuis of de Kamer van
Afgevaardigden bestaat uit 130 leden die ook voor
vijf jaar gekozen worden.
Er bestaat algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen
vanaf 18 jaar. Volgens de herziene grondwet van 1995
wordt 50% van de leden gekozen via partijlijsten
terwijl de andere helft een bepaald district
vertegenwoordigen. Bolivia is verdeeld in de negen
administratieve departementen La Paz, Cochabamba,
Potosí, Santa Cruz, Chuquisaca, Tarija, Oruro, Beni
en Pando. Elk departement is weer onderverdeeld in
ca. 112 provincies waarvan het bestuur de inkomsten
en uitgaven controleert. De provincies zijn weer
onderverdeeld in ca. 1384 kantons en worden bestuurd
door een prefect, een subprefect en een zogenaamde “corregidor”.
In de hoofdsteden van de departementen en de
provincies vormen gekozen colleges het lokale
bestuur. In enkele gebieden is de Indiaanse
bevolking nog op traditionele wijze in ayllu's
(gemeenschappen) georganiseerd. Indianen zijn pas
sinds kort in het nationale parlement
vertegenwoordigd.
Onderwijs
Basisonderwijs is gratis en verplicht voor alle
kinderen tussen de zes en de veertien jaar. Recente
tellingen wezen uit dat er ongeveer 2300
kleuterscholen en ongeveer 13.000 basisscholen zijn.
Er gingen bijna 1,3 miljoen kinderen naar de
basisschool en bijna 220.000 naar het voortgezet
onderwijs. Hoger onderwijs werd gevolgd door ca.
140.000 studenten. Er zijn universiteiten in La Paz,
Sucre, Cochabamba, Oruro, Potosí, Santa Cruz en
Tarija. De oudste universiteit van Zuid-Amerika is
de San Francisco Xavier in Sucre, gesticht in 1624.
De Universiteit van San Andrés in La Paz is de
grootste van het land met meer dan 35.000 studenten.
Veel hoog opgeleiden verlaten na het behalen van hun
diploma Bolivia en gaan werken in Argentinië of
Chili waar veel meer betaald wordt. Engels wordt op
middelbare scholen als onderdeel van het
vakkenpakket onderwezen. Door de regering wordt het
onderwijs gelukkig als essentieel beschouwd voor de
sociale en economische ontwikkeling van Bolivia.
Eind jaren tachtig kon een derde van de bevolking
ouder dan 15 jaar niet lezen of schrijven. Tien jaar
later was dat percentage gedaald tot 20%. Begin
jaren vijftig ging maar ongeveer 15% van de kinderen
naar school. Nu gaat ongeveer 90% van de kinderen
naar het basisonderwijs, maar velen haken onderweg
toch nog af. In sommige dorpen ontbreekt zelfs nog
enige vorm van onderwijs en met name op het
platteland moeten kinderen al op jonge leeftijd
helpen in de landbouw en verlaten dan de school.
|
|
Onze Toppers |
 |
|
|
|
Onze
nieuwsbrief |
|
|
|
|
|
|
| |
|
|
Klant login
|
 |
|
| Heeft u een reservering gemaakt voor een
rondreis bij Explore Peru Travel dan kunt u hier
inloggen om: |
|
|
|
|
|
|
Zwaarte van de reis
| |
|
|
|
4 |
|
|
| |
Cultuur |
|
| |
|
|
|
|
5 |
|
| |
Natuur |
|
| |
|
|
|
|
5 |
|
| |
Avontuur |
|
| |
|
|
|
4 |
|
|
| |
|
|
|
|
|
|
Hoogtepunten van
deze reis |
|
Het
traditionele
zuiden
van
Peru |
|
Ballestas
eilanden |
|
Nasca
lijnen |
|
Colca
Canyon
2
dagen
excursie
inclusief |
|
Titicaca-meer
|
|
Machu
Picchu |
|
La
Paz |
|
Uyuni
Salar
excursie
per
4*4
inclusief |
|
De
harde
mijnen
van
Potosi |
|
Schitterend
Sucre |
|
Om
tijd
te
besparen
vliegen
we
vanaf
Sucre
naar
la
Paz
inclusief |
| |
|
|
Dagschema |
|
|
|
|
Dag 1 |
Lima |
|
Dag 2 |
Lima-Ballestas-Nasca |
|
Dag 3 |
Nasca-Arequipa
nachtbus |
|
Dag 4 |
Arequipa |
|
Dag 5 |
Arequipa |
|
Dag 6 |
Colca Canyon |
|
Dag 7 |
Colca Canyon |
|
Dag 8 |
Puno
Titicaca
meer |
|
Dag 9 |
La Paz |
|
Dag 10 |
La Paz |
|
Dag 11
|
La Paz-Uyuni
nachtbus |
|
Dag 12 |
Salar de
Uyuni en
Avaroa
national
park per 4*4 |
|
Dag 13 |
Salar de
Uyuni en
Avaroa
national
park per 4*4 |
|
Dag 14 |
Salar de
Uyuni en
Avaroa
national
park per 4*4 |
|
Dag 15 |
Uyuni -
Potosi bus |
|
Dag 16 |
Potosi-Scure |
|
Dag 17 |
Sucre +
tarabuco
(indien op
zondag) |
|
Dag 18 |
Sucre-la Paz
vliegtuig |
|
Dag 19 |
La Paz-Cusco
bus |
|
Dag 20 |
Vrije dag
Cusco |
|
Dag 21 |
Cusco-Aguas
Calientes
trein |
|
Dag 22 |
Machu Picchu
Cusco trein |
|
Dag 23 |
Vrije dag
Cusco |
|
Dag 24 |
Excursie
Heilige
Vallei
inclusief |
|
Dag 25 |
Cusco-Lima
vliegen |
|
| |
|
Excursies inclusief
tijdens deze reis |
|
Ballestas eilanden |
|
Nasca lijnen
overvlucht |
|
Colca Canyon 2 dagen |
|
Titicaca 1 dag
|
|
Chacaltaya
uitzichtpunt |
|
3 dagen Salar de
Uyuni en Avaroa
national park per
4*4 inclusief alle
maaltijden |
|
Vluchten Sucre-La
Paz, Cusco-Lima |
|
Volledig 2 daagse
Machu Picchu
excursie inclusief
entreegelden |
|
Heilige Vallei
excursie |
| |
|
Bij ons geen
verrassingen
achteraf. Je ziet
direct
wat je moet betalen.
Bij Explore Peru
Travel geen
reserveringskosten. |
|
| |
|
De reis is uit te
breiden met... |
|
De Inca Trail 2 of 4
dagen |
|
De Salkantay of
Lares Trail |
|
Jungle verlening in
Puerto Maldonado of
Rurrenabaque |
|
Verlenging naar het
noorden van Peru |
|
Extra excursies |
|
|
|
|
Beste reistijd |
|
Van April tot
November |
| |
|
Zakgeld |
|
€ 400 per week |
| |
|
In vrijwel al onze
hotels vind je de
volgende diensten* |
 |
Ontbijt |
 |
Bagage
opslag |
 |
Roomservice |
 |
Telefoon op
je kamer |
 |
Kabel
televisie |
 |
Cafetaria |
 |
24-uur warm
water |
 |
Internet
mogelijkheden
(soms gratis
WIFI) |
| |
*
Uitzonderingen
daargelaten |
|
|
|
| |
|
|
|