Tiwanaku ontstond
waarschijnlijk al voor het jaar 200
en was de hoofdstad van een rijk dat
in zijn bloeitijd (tot ca. 1000)
ruwweg de zuidelijke helft van het
latere Incarijk beheerste, dat wil
zeggen Zuid-Peru, Noord-Chili, een
flink stuk van Bolivia en een deel
van Noord-Argentinië. De noordelijke
helft van het latere Incarijk werd
beheerst door het in het huidige
Peru gelegen rijk van de Wari,
Tiwanaku's grote rivaal. Het
Tiwanakurijk telde waarschijnlijk
zo'n miljoen onderdanen en werd
later door de Inca's als een soort
grootvaderbeschaving beschouwd.
Er is wel gedacht dat
de hoofdstad Tiwanaku aan de oever
van het Titicacameer lag, maar
onderzoek naar sedimenten in het
meer bevestigen dit niet. Toch moet
de stad goede water- en
voedselvoorzieningen gehad hebben in
een gebied waar de huidige Aymara,
die de directe nazaten zijn, maar
een karig bestaan hebben. In de
regentijd is er voldoende water maar
er zijn ook droge tijden die de
bewoners door moeten zien te komen.
Honger is geen zeldzaamheid.
Bovendien kan in dit hooggelegen
gebied het plotseling optreden van
vorst vernietigend werken op de
oogst.
De stad bevatte
onder andere een tempel, de "Verzonken Tempel", die er met
zijn gouden versierselen en zijn
gebeeldhouwde versieringen,
indrukwekkend moet hebben uitgezien.
Er was een ceremonieel plein van 135
m bij 130 m, Kalasasaya
geheten. Dit plein had verschillende
monolithische steles onder meer in
de vorm van menselijke figuren.
Bijzonder fraai is ook de
monolithische "Zonnepoort",
waardoor de zon schijnt bij de
zonnewende en die versierd is met
figuren en tekens die waarschijnlijk
een kalenderfunctie hadden.
Er was ook een
tweetal piramides, de Akapana en de
Puma Punku, die een gezamenlijke
ceremoniële functie gehad moeten
hebben.
Er zijn bijzonder
kundig gebouwde kanalen die als
leidingen de piramide invoeren en
volgens wetenschappers werd het
element water samen met de zon als
goddelijk vereerd. Naast astronomie
en geneeskunst moet de
waterbouwkunde op een hoog peil
gestaan hebben. Buiten de stad is er
de Pampa Koani, een gebied
doorsneden met (nu droogliggende)
sloten met smalle stroken opgehoogd
land ertussen. Het leek
waarschijnlijk dat irrigatie één van
de redenen was voor dit ingewikkelde
systeem, maar toen een deel ervan
weer in ere hersteld werd bleek dat
er een andere functie van het vele
water was: het functioneerde als
zonnecollector. Bij een flinke
nachtvorst die de andere boeren tot
wanhoop bracht, bleef dit gedeelte
onaangetast. Sindsdien is gebleken
dat deze velden een tot zeven maal
hogere opbrengst kunnen hebben dan
de traditionele velden van de
Aymara. De verering van zon en water
was dus ook gestoeld op heel
praktische overwegingen: de
beschaving hing letterlijk van de
wisselwerking van de twee af en met
name het bijzondere vermogen van
water om veel warmte op te slaan.
(Water heeft een hoge soortelijke
warmte).
Waarschijnlijk is
er rond het jaar 1000 een lokale
klimaatverandering geweest die een
droogteperiode van circa 80 jaar
inluidde. Zonder water werkte het
systeem niet, hetgeen bijgedragen
kan hebben aan de ondergang van de
beschaving. Er zijn echter ook
aanwijzingen van geweld en
mensenoffers uit de eindfase van de
Tiwanakubeschaving. Van alle
hoogontwikkelde beschavingen is dit
wellicht degene waar het minst van
bekend is. Het onderzoek ernaar is
niet alleen van academisch belang
maar is al begonnen veranderingen
aan te brengen in de lokale
economie.